Jusqu'à quand? L'ambassade d'Ukraine (re)demande l'annulation de notre film dans la région liégeoise, à la ferme du Marly.
Combien de temps allons-nous encore accepter...
Quatre ans après l’agression dont il été victime en tant que journaliste, Alexandre Penasse attend toujours justice.
https://youtu.be/LEQfxPuCoSw
Un journaliste agressé, un policier identifié, une justice...
Ce sont deux concepts déviants sont ultra présents, malheureusement, chez nos « élites mondiales » qui, grâce à leur fortune, restent souvent intouchables. Avec...
C’était le 29 janvier 2023, j’ouvrais ma boîte mail et trouvais un message de Christine Cotton:
“Bonjour Alexandre, Serait-il possible de planifier une interview ensemble,...
Vier jaar na het begin van de financiële crisis is het duidelijk dat de maatregelen waartoe op EU-niveau is besloten, totaal ondoeltreffend zijn. Gevangene van de ultraliberale logica die sinds 1992 in de verdragen is verankerd, houdt Europa vast aan zijn vooronderstellingen: de overheidsuitgaven moeten worden verminderd en de sociale bescherming moet minder genereus worden gemaakt.
Het Verdrag inzake stabiliteit, coördinatie en bestuur (ook bekend als het begrotingspact) dat op 2 maart 2012 door de staatshoofden en regeringsleiders (met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Tsjechië) is ondertekend, past perfect in deze logica. Ook beweert hij nieuwe begrotingsbeperkingen als grondwettelijke regels vast te stellen.[note]
De GSCT ontneemt de nationale parlementen duidelijk hun functie om op democratische wijze over begrotingskwesties te debatteren en te beslissen wat goed is voor de burgers.
Goed bestuur houdt volgens dit verdrag in dat de belangen van de financiële markten worden behartigd en dat de beslissingsbevoegdheid wordt toevertrouwd aan deskundigen die moeten nagaan of aan strenge criteria is voldaan. Er zij aan herinnerd dat de zogenaamde criteria van Maastricht die in 1997 zijn vastgesteld (minder dan 3% van het BBP voor het begrotingstekort en minder dan 60% van het BBP voor de overheidsschuld) sinds hun goedkeuring zelden in acht zijn genomen, hetgeen de toenmalige voorzitter van de Commissie, Romano Prodi, ertoe heeft gebracht ze als dom te bestempelen.
Vijftien jaar later worden deze criteria nog strenger gemaakt, aangezien het tekort minder dan 0,5% zal moeten bedragen en drastische regels voor de geleidelijke vermindering van de schuld met sancties zullen worden opgelegd. Anderzijds worden de mechanismen die de onafhankelijkheid van de Europese Centrale Bank (ECB) waarborgen en haar verbieden rechtstreeks leningen aan lidstaten te verstrekken, niet ter discussie gesteld. Zo leent de ECB momenteel 1% rente aan de banken, waardoor deze vrij zijn om tegen woekerrentes leningen te verstrekken aan regeringen (5,91% aan Ierland, 6,58% aan Spanje; 9,89% aan Portugal; 24,34% aan Griekenland … tegen 1,34% aan Duitsland).[note]
Deze absurde en niet te rechtvaardigen situatie is het resultaat van ideologische keuzes die hun onbenulligheid ruimschoots hebben bewezen. Het feit dat deze keuzes worden bestendigd en in de grondwet worden opgenomen is even schandalig als inefficiënt. Het is onjuist te beweren dat de GSCT landen met schulden en een diepe recessie zal redden. Zoals aderlating nooit een uitgeputte en anemische patiënt heeft gered, zo zullen de budgettaire vermageringskuur en de vermindering van de sociale bescherming de in moeilijkheden verkerende staten niet helpen, maar integendeel de depressie accentueren en het risico met zich meebrengen dat heel Europa door een domino-effect in chaos wordt gestort.
De Europese Unie heropbouwen op nieuwe grondslagen
De tijd is gekomen om onze ogen te openen, en daartoe worden wij uitgenodigd door persoonlijkheden die niets vermoeden van revolutionair links, zoals Joseph Stiglitz en Paul Krugman, beiden Nobelprijswinnaars voor de economie. Het neoliberale model dat sinds het Verdrag van Maastricht aan de Europese keuzes ten grondslag ligt, heeft gefaald: het geloof in de deugden van de vrije markt en de stelselmatige vermindering van de rol van de overheid hebben geleid tot een duizelingwekkende toename van de ongelijkheid, zowel binnen als tussen de Lid-Staten. Ik ben er al lang van overtuigd dat een monetaire unie zonder een Europees beleid van coördinatie van het economisch beleid en zonder fiscale en sociale harmonisatie niet levensvatbaar is.
Met het VSCB treedt Europa het post-democratische tijdperk binnen dat door de filosoof Jurgen Habermas aan de kaak is gesteld. Door steeds meer beperkingen op te leggen en koppig zijn burgers te negeren, maakt het zichzelf in hun ogen steeds verfoeilijker en biedt het een voedingsbodem voor extreem-rechts. Hervorming van de operaties in de marge met voornamelijk symbolische gebaren volstaat niet.
We moeten de Europese Unie heroverwegen, Maastricht en Lissabon vergeten en a fortiori de TSCG. Monetaire stabiliteit kan niet langer het enige criterium zijn dat de economische en budgettaire keuzen stuurt. De multidimensionale crisis die woedt vereist dat wij zo spoedig mogelijk een grondige transformatie in gang zetten naar een ecologisch en sociaal duurzame economie, en dat wij afstappen van steriele bezweringen over een terugkeer naar onmogelijke groei. Deze verandering vereist een nieuwe Europese Unie die ecologisch, economisch, fiscaal en sociaal is. Wil deze Unie haar naam eer aandoen, dan heeft zij een aanzienlijke Europese begroting en doeltreffende solidariteitsmechanismen tussen de lidstaten nodig.
In de onmiddellijke toekomst is het mijns inziens van essentieel belang een audit van de overheidsschuld van de Lid-Staten uit te voeren om het onrechtmatige deel van deze schuld te onderscheiden (met name het deel dat voortvloeit uit de door de banken opgelegde woekerrentes). De Europese Centrale Bank zou rechtstreeks leningen moeten verstrekken aan staten, hetgeen momenteel verboden is bij het Europees Verdrag.
Tenslotte lijkt een algemene heronderhandeling van de overheidsschulden mij onvermijdelijk, wat degenen die de lessen van de geschiedenis zijn vergeten ook mogen denken. Er zij aan herinnerd dat Duitsland in februari 1953, bij de Overeenkomst van Londen die door 21 crediteurlanden werd ondertekend, de kwijtschelding van de helft van zijn overheidsschuld verkreeg, waardoor het « economische wonder » kon beginnen dat van Duitsland de leidende economische macht in Europa maakte.
Paul Lannoye
Voormalig voorzitter van de groene fractie in het Europees Parlement;
Directeur van Grappe (denktank en actiegroep voor ecologisch beleid).
De beweging Terre-en-Vue « wil de toegang tot de grond vergemakkelijken, om de landbouwers te helpen agro-ecologische projecten met de burgers op te zetten en te ontwikkelen… Zij steunt projecten die sociaal, ecologisch en economisch duurzaam zijn: projecten die de bodem nieuw leven inblazen, het landschap en het evenwicht van de ecosystemen respecteren. Samengesteld uit een vzw, een coöperatie en binnenkort een stichting, staat Terre-en-vue met beide benen op de grond, heeft duidelijke ideeën en de middelen om ze uit te voeren. Interview met Zoé Gallez en Maarten Roels, twee van de initiatiefnemers
Kairos: Hoe is Terre-en-Vue ontstaan, wat waren de verschillende stadia die u tot dit punt hebben gebracht?
Maarten: Een van de belangrijkste elementen in het ontstaan van het initiatief was de vorming van een groep jongeren, de groep « Reclaim the fields », die voorstelde het land te kraken om te laten zien dat het een gemeenschappelijk goed is. Een veertigtal mensen kwam bijeen op initiatief van Kari Steven, medeoprichtster van de vzw « le Début des Haricots »[note]. Tenslotte hebben wij besloten te kiezen voor een strategie door een platform te vormen voor alle verenigingen die de boerenlandbouw willen ondersteunen. Twee belangrijke gebieden werden geïdentificeerd: zaaigoed en toegang tot land. Al snel werd een « zadenruil » georganiseerd in het Huis van de Cultuur in Molenbeek, die een groot succes werd. Wij hebben toen gezegd dat wij dieper moesten nadenken over de kwestie van de toegang tot land en concrete voorstellen moesten doen: wij moesten een instrument creëren waarmee wij land konden verwerven, in plaats van het te kraken.
Kairos: Waarom?
Marteen:
Er moest structureel worden gereageerd, zodat in de toekomst meer acties konden worden ondernomen. We wilden ons laten inspireren door de Terre de liens-beweging, die eind jaren negentig in Frankrijk ontstond en waarvan we een van de oprichters, Sjoerd Wartena, hadden ontmoet. Begin 2011 kwam een kleine groep voor het eerst bijeen op CREDAL[note], met Jérôme Rassart die voordien werkte bij CRABE[note]. GASAP’s[note] kwam bij ons met Anaïs Le Troadec, coördinator van het netwerk, die ik ook vertegenwoordigde, evenals het Begin van de Bonen, de MAP (boerenactiebeweging)[note] met Thomas Lauwers, en daarna Zoé die Thomas ontmoette voor een gezamenlijke lezing van Tim Jakson over welvaart zonder groei (lacht). Ho-chul vertegenwoordigde Agricovert[note], een netwerk van coöperatieve boeren die zich organiseren om hun producten samen rechtstreeks te verkopen.
Deze actoren vertegenwoordigden drie niveaus: toegang tot de markt via de GASAP-netwerken, toegang tot kennis met CRABE en de FUGEA-vakbonden[note] en MAP, en toegang tot kapitaal met CREDAL. Deze drie assen vormen de sterkte van het netwerk.
We hebben ook ontmoetingen gehad met de groep die hetzelfde soort project in Vlaanderen uitvoert, bestaande uit vier partners: Land-in-zicht (letterlijke vertaling van Terre-en-vue), een non-profitorganisatie die ook een stichting heeft die eigenaar zal worden van twee boerderijen; het CSA-netwerk (Community Support Agriculture); Landwijzer vzw, de Nederlandstalige tegenhanger van CRABE; en het CDO (Centrum voor Duurzame Ontwikkeling aan de Universiteit Gent).
Kairos: Het is een geweldig netwerk!
Zoë: Ja, het beweegt aan alle kanten. De opbouw van het initiatief wordt voortgezet met een zeer geslaagde bijeenkomst op 6 mei 2011 in Namen. Daarnaast heeft een ander project ons vooruitgeholpen, namelijk een aankoopgroep in Rochefort, die is ontstaan uit de constatering dat hun producent niet in staat was volledig van zijn landbouwactiviteit te leven omdat hij niet over voldoende grond beschikte. Jean Vander Elst beseft dat er grond in de buurt is die kan worden aangekocht, maar hij kan het niet alleen doen. Vervolgens stelt hij zijn groep voor een collectieve aankoop te doen. En dan, verrassing: na een paar weken verzamelde hij een som geld (60.000 euro) waarmee hij drie stukken grond kon kopen in plaats van één.
De synergieën tussen de groep Rochefort en Terre-en-Vue waren duidelijk en Jean trad toe tot de groep Terre-en-Vue Dynamo. De Dynamogroep is de motorgroep, maar dan zonder de vervuilende motor! (lacht)
Kairos: Kunt u ons meer vertellen over de problemen bij de toegang tot land in België?
Maarten: Het is heel ernstig, elke week verdwijnen er 41 boerderijen. Als het zo doorgaat, zijn er over 130 jaar geen boerderijen meer. Als we een onderscheid maken naar de grootte van de bedrijven, zien we twee groepen: de ene, de enige die groeit, is die van de « megabedrijven » met een oppervlakte van meer dan 50 hectare, en de andere, die in vrije val is, bestaat uit de kleine bedrijven, van minder dan 5 hectare. Een andere vaststelling: elke week verlaten 64 landbouwers hun baan zonder door nieuwe te worden vervangen, wat betekent dat er gewoon banen verdwijnen. Op het niveau van de grond wordt per week 240 hectare aan het landbouwgebruik onttrokken (het equivalent van 330 voetbalvelden); dit is grond die wordt gebruikt voor iets anders dan landbouw (wonen, recreatie, enz.). Dit is een rechtstreeks verlies voor de Belgische capaciteit inzake voedselsoevereiniteit.
Zoé: Dit is niet algemeen bekend, maar de gegevens zijn openbaar, op de website van de Federale Overheidsdienst Economie[note].
Marteen: Ja, dit zijn statistieken waar iedereen bij kan, maar niemand vraagt ernaar. Hoewel voedsel de basis is van ons overleven, stellen wij ons deze vragen niet om één belangrijke reden: er is een schisma tussen de steden waar wij consumeren en het platteland waar wij produceren. Men vraagt niet eens naar de levensomstandigheden van degenen die in de landbouw werkzaam zijn. Ze gaan naar de winkel en kiezen producten. Zij zien slechts één aspect van een veel complexere werkelijkheid. Wij maken onszelf wijs dat wij ons in een wereld van overvloed en veiligheid bevinden, maar wij bevinden ons in een situatie van enorme kwetsbaarheid en volledige afhankelijkheid.
Kairos: Waar denkt u dat deze kwetsbaarheid mee samenhangt, afgezien van de afhankelijkheid van olie?
Marteen: Het is waar dat de afhankelijkheid van olie enorm is. Er is ook de link met de internationale markt: als wij in staat zijn de Belgische markt te vullen met producten van de andere kant van de wereld, dan is dat omdat de prijs van het vervoer zeer laag is, omdat er in de landen van het Zuiden geen grondbeheerbeleid is, omdat westerse bedrijven duizenden hectaren grond kunnen kopen voor 50 euro per jaar. Sommige Amerikaanse universiteiten investeren in de aankoop van land in Ethiopië. Dit neokolonialistische beheer van de toegang tot land maakt het mogelijk de omvang van de landbouwbedrijven te vergroten, intensieve monoculturen te telen en de prijzen te verlagen, waardoor alleen de grote bedrijven een kans krijgen. De enige oplossing die kleine boeren hebben is kortsluiting (verkoop van boerderijen, gasap), maar dit wordt in de scholen voor landbouwkunde helemaal niet gepromoot.
De meeste landbouwers die hun studies beëindigen, houden geen rekening met deze mogelijkheid, zij zien het eerder als een hinderpaal dan als een hefboom. Hierdoor worden veel tussenpersonen vermeden en kunnen de prijzen worden vastgesteld op basis van de productiekosten en niet op basis van een markt die deze bepaalt.
Zoé: Op alle niveaus is er nog ruimte voor verbetering, want zelfs in de GASAP’s baseren sommige producenten hun prijzen op de marktprijzen; zij schamen zich om prijzen te vragen die overeenkomen met hun werkelijke kosten.
Marteen: Op het opleidingsniveau van de beroepsbeoefenaren moeten we verloren kennis terugwinnen, bijvoorbeeld met geschriften zoals die van Fukuoka[note] over no-till landbouw. Het gaat om respect voor het land, maar het is ook een visie waarbij je zo weinig mogelijk probeert te doen en gebruik maakt van natuurlijke voortplantingscapaciteiten zodat de productiekosten omlaag gaan. In wezen doen we in de landbouw veel dingen die niet nodig zijn, alleen omdat het geld oplevert voor een andere bedrijfstak, of dat nu chemie of mechanisatie is.
Het gaat er echter niet om de mechanisering volledig af te schaffen, het gaat er alleen om dat een aantal dingen kunnen worden weggelaten. Maar we zitten in een maatschappij waar minder produceren tot schuld leidt.
Kairos: U raakt aan de pijlers van onze productivistische samenlevingen: grote oppervlakken, intensieve landbouw, chemicaliën… wat verwacht u van de overheid?
Regeringen worden gekozen door het volk. Net zoals burgers de overheid moeten uitdagen, moet de overheid haar rol als tegenwicht tegen industriële lobby’s spelen. Daarom willen we de overheid bij ons project betrekken. Het Franse voorbeeld toont aan dat een vruchtbare samenwerking, vooral met de gemeenten, mogelijk is.
Kairos: Heeft u een voorkeur voor een bepaald politiek niveau?
Maarten: Elke schaal heeft zijn belang. Elk niveau moet zich bewust zijn van de kracht van de anderen. Nu proberen we bijvoorbeeld vaak lokale problemen op een hoger niveau op te lossen, maar dat is niet mogelijk. Als je je schaal te buiten gaat, creëer je starheid, iedereen wil ingrijpen, het werkt niet. Biodynamica is hier een grote bron van inspiratie. Deze homeopathie van de bodem zal ons in staat stellen actoren te zijn op het niveau van de aarde, maar ook op politiek niveau. Het principe van de biodynamiek bestaat erin preparaten te maken die op de bodem worden gesproeid om deze in een ideale minerale balans te brengen. Wij gaan hetzelfde doen op politiek niveau, d.w.z. wij gaan politieke visies en praktijken ontwikkelen door te trachten de politici erbij te betrekken, zodat zij de verhoudingen tussen de verschillende niveaus wijzigen. Respect voor het gemeengoed vereist een bezinning op de organisatievormen.
Kairos: Hoe werkt Terre-en-Vue?
Zoé: Er zijn twee takken: de vzw en de coöperatie. De vereniging zorgt voor de hele beweging: animatie, politieke bevraging, bewustmaking – opleiding, begeleiding, belangenbehartiging. Er zullen banen worden gecreëerd op basis van overheidsfinanciering. Het startkapitaal van de coöperatie, dat reeds 12.000 euro bedraagt, werd bijeengebracht door de vzw en de andere oprichtende verenigingen. We hebben het heel snel gekregen: in één week tijd hadden we 6.000 euro aan donaties voor de vereniging, wat zeer bemoedigend is.
De coöperatie zal de investeringen van de belangstellenden kunnen ontvangen, zonder mogelijke speculatie, dus zonder kapitaalwinst, dividenden, enz., het zal geld zijn dat wordt gebruikt om land te kopen, om ons erfgoed, ons voedsel, te beschermen. De coöperatie zal geen werknemers hebben. De middelen om grond te verwerven zijn regionaal, d.w.z. de coöperatie kan in de hele regio aankopen doen, maar idealiter zouden we telkens een beroep willen doen op een plaatselijke dynamiek, zodat ten minste de helft van de aankoop van een stuk grond wordt gefinancierd door mensen die rechtstreeks contact hebben met de begunstigde landbouwer (hetzij omdat zij in de buurt wonen, hetzij omdat zij zijn produkten consumeren).
Bovendien zal een stichting worden opgericht om de landlegaten te ontvangen die de coöperatie niet kan ontvangen.
Kairos: Welke moeilijkheden ondervindt u eventueel?
Maarten: Eigenlijk hebben we heel wat verwachtingen gecreëerd. Nieuwe boeren willen zich vestigen, wachten op land. Helaas wordt veel grond openbaar verkocht en in dat geval moeten wij van tevoren weten hoeveel wij kunnen inbrengen, wat helemaal niet gemakkelijk is als reactie op een collectieve beweging als de onze. Openbare verkopen trekken uiteraard speculanten aan die grond kopen tegen prijzen die de waarde ervan overschrijden. De crisis en de Dexia-affaire hebben er bijvoorbeeld toe geleid dat gemeenten veel grond hebben verkocht aan particuliere ondernemingen. Het is niet overdreven om te spreken over de herinrichting van ons platteland.
Kairos: We hebben al een idee van het soort samenleving dat u voorstaat.
Hoe positioneert u zich bijvoorbeeld ten opzichte van het bezwaar tegen groei?
Zoé: Ons model is een afnemend, alternatief model, en een van de hoofddoelstellingen is de overproductie een halt toe te roepen. Ons doel met Terre-en-vue is om deze essentiële vragen samen opnieuw op te eisen.
Kairos: Is er een boodschap die u aan de lezer wilt overbrengen?
Zoé: Ja, iedereen heeft een plaats in de Terre-en-vue beweging: door geld te schenken, door deel te nemen aan een lokale groep, door naar onze forums te komen… maar vooral door na te denken over de manier waarop ze eten, door op lange termijn te denken. Als we onze kinderen willen voeden, moeten we eerst ons land beschermen.
Mijn verhaal begint op een avond in een Parijs ziekenhuis: er zijn twee bedden. Elk bed wordt bezet door een zieke, die er zeer slecht aan toe is. In het eerste bed ligt de economie: het arme ding is stervende, lijdt aan onvoldoende groei, en zijn in verval rakende industrieën zijn een lust voor het oog. In het andere bed ligt de aarde: niet de mooie blauwe kleur die we uit de ruimte kennen, maar de wasachtige teint en bleke huid van iemand die de nacht misschien niet doorkomt. Tussen de twee bedden staat een dienstdoende arts. Hij is alleen en vraagt zich af: de twee stervende vrouwen zijn bewusteloos, één van hen heeft het oproepsignaal geactiveerd, voor wie moet hij zorgen?
Hij raadpleegde snel de medische dossiers van zijn collega’s. De diagnose van Miss Economy is duidelijk: zij lijdt aan een vitaal gebrek aan groei. Gelukkig is er een schokbehandeling ondernomen: door banen onzekerder te maken, worden de arbeidskosten gedrukt, waardoor investeerders de hand in eigen boezem willen steken om nieuwe economische activiteiten te ontplooien. Zij zouden ook vitaal moeten worden door het meest modieuze politieke medicijn van het moment – « vrijhandel » – dat grotere markten beoogt te creëren waar goederen sneller circuleren, zodat positieve energie vrijkomt om de economie nieuw leven in te blazen. En het is getekend: Doctor Liberalismus.
– Nou, deze is tenminste in vooruitgang, dacht onze dappere nachtdokter.
Het andere medische dossier, dat van mevrouw Aarde, vermeldt diepe snijwonden over haar hele lichaam (verwoeste bossen, toenemende betonnering, verdwijning van levende soorten…) en ernstige vergiftigingen: chemische vervuiling, hormoonontregelaars, nucleaire ongevallen, broeikasgassen… Een grote zweetdruppel op het voorhoofd van de dokter: het is duidelijk dat mevrouw Aarde het slachtoffer is geworden van een moordpoging! Maar wat nog beangstigender is, is dat de behandelend arts net na de diagnose de woorden « medische behandeling in afwachting van toestemming » toevoegde. Ondertekend: Dokter COP21.
– Sinds wanneer moet je wachten op een vergunning om een patiënt te behandelen? zegt onze nachtdokter verontwaardigd. Hij neemt de pols van de patiënt. Hij is zwak, maar zijn hart klopt. Hij besluit haar in huis te nemen.
Om niets stoms te doen, gaat hij naar een computer en raadpleegt het volledige dossier van mevrouw Aarde. De spoedeisende hulp verpleegster die de patiënt ontving, een Mr. GIEC, merkte het volgende opsinds de industriële revolutie heeft het massale gebruik van steenkool, olie, gas en meer recent schaliegas een grote verandering in de atmosfeer teweeggebracht: kooldioxide (CO2) wordt steeds geconcentreerder. Zo is de concentratie van CO2 in de atmosfeer gestegen van 275 delen per miljoen (ppm) aan het begin van de industriële revolutie tot Dit werd gevolgd door een stijging tot 316 ppm (rond 1960) en ligt nu dicht bij 400 ppm[note]. Ter herinnering: de laatste keer dat kooldioxide de drempel van 300 ppm overschreed, was meer dan 800.000 jaar geleden! Dat wil zeggen, een tijd waarin de moderne mens (homo sapiens) nog niet bestond.
Vreemd, dacht de dienstdoende arts, echt vreemd… Zo bezien is de moderne vooruitgang een enorme sprong terug… Hij las verder: Deze observatie zou een amusante anekdote zijn als de aarde een stabiele, onveranderlijke planeet was, die ons een onveranderlijke leefomgeving biedt, zoals het populaire gezegde luidt: « na de regen schijnt de zon ». Maar dat is niet het geval, want mevrouw Aarde verandert haar gezicht in de loop der tijd. In de loop van zijn lange leven (4,6 miljard jaar) heeft het land perioden van opwarming en vergletsjering doorgemaakt die de oceanen en het landschap ingrijpend hebben veranderd. Waar wij de woestijn zien uitdijen, kan ooit een weelderig regenwoud zijn geweest; evenzo is de grond waarop wij staan duizenden jaren lang bezet geweest door enorme gletsjers; en het niveau van de oceanen heeft in de loop van de geschiedenis enkele honderden meters geschommeld…
Wat is er normaler dan dat de aarde in de loop van de tijd evolueert, zegt onze nachtdokter. Het is tenslotte een levend wezen… Maar de IPCC verpleegster wijst erop: Hoewel er veel factoren zijn die het klimaat beïnvloeden, spelen broeikasgassen (zoals methaan en kooldioxide) een belangrijke rol bij de huidige opwarming van de aarde. Vandaag lijdt mevrouw de Aarde aan een matige koorts (+ 0,85°C vergeleken met het pre-industriële tijdperk). Als deze koorts toeneemt, zullen extreme weersomstandigheden (stortregens, hevigere orkanen, verzengende droogten, enz.) in de toekomst steeds vaker voorkomen.
Een rilling loopt over de rug van de arts: in het voorjaar van 2015, nog maar een paar maanden geleden, was hij in India voor een vakantie in de zon. Hij doorstond een verschrikkelijke hittegolf (de temperatuur lag ver boven de 47°C) en hielp de plaatselijke artsen, die werden overweldigd door een golf van zonnesteek en uitdroging die aan meer dan 1400 mensen het leven kostte. Het scenario herhaalde zich een maand later in Pakistan: meer dan 450 mensen stierven ten gevolge van een uitzonderlijke hittegolf. Uit nieuwsgierigheid typt de arts « recente klimaattragedies » in zijn zoekmachine, en er verschijnen koppen: » La Californie ravagée par des incendies incontrôlables » (Le Figaro, september 2015); » Historische regenval in South Carolina: 11 doden » (Radio Canada, oktober 2015), » Overstromingen: dodelijke zondvloed in de Alpes-Maritimes » (France Info, oktober 2015).
De aarde heeft koorts, een koorts die nog gematigd is, maar die nu al mensen doodt. En ook al zijn niet alle extreme weersomstandigheden uitsluitend aan de opwarming van de aarde toe te schrijven, dan nog is de prognose voor de toekomst niet erg veelbelovend: » Klimaat: de helft van de planten en een derde van de dieren getroffen tegen 2080 » (AFP, mei 2013); » Opwarming kan gezondheidswinst tenietdoen » (Agence Belga, juni 2015); » Nasa schat dat de oceanen in de volgende eeuw met minstens een meter zullen stijgen » (Le Monde, augustus 2015); » Bij 3°C opwarming van de aarde kan een land als Botswana worden opgeslokt door de Kalahari-woestijn, waardoor de 1.800.000 inwoners klimaatvluchtelingen worden » (geïnspireerd door Six Degrees, een boek van Mark Lynas)…
Koortsachtig grijpt onze dokter terug naar het medisch dossier van mevrouw Aarde: als de koorts van de Aarde verergert, moeten we vrezen voor ongekende planetaire catastrofes. Vandaag wordt een groot deel van de opwarming van de aarde tegengehouden door de aarde, die de enorme hoeveelheden CO2 die door de mens worden uitgestoten, opvangt door ze op te slaan in haar bossen en oceanen. Maar naarmate de oceanen meer koolstof opslaan, worden ze zuurder, wat een bedreiging vormt voor sommige vormen van aquatisch leven. Bovendien zullen, als de opwarming van de aarde te groot wordt, droge bossen verbranden, waardoor veel kooldioxide vrijkomt in de atmosfeer. In plaats van de opwarming van de aarde af te remmen, zal deze juist versnellen. En de IPCC-verpleegkundige schrijft: om positieve terugkoppelingsdrempels te vermijden waarbij de aarde de door de mens veroorzaakte opwarming van de aarde begint te versnellen, moeten we de temperatuur van de aarde onder +2°C houden. En hij onderstreepte vet: Er is dus een noodgeval om de patiënt te behandelen!
Maar deze is niet behandeld. Toxicologische analyses zijn duidelijk: elk jaar bereikt de CO2-uitstoot een nieuw record. In plaats van de aardkoorts tot bedaren te brengen, drijft het menselijk handelen deze steeds hoger op, terwijl er al jaren klimaattoppen worden gehouden die in het beste geval eindigen met niet-bindende beloften. Hoe is dit mogelijk? Dus wat doet Dr. COP21, verantwoordelijk voor deze patiënt?
Om het zeker te weten, kijkt de nachtdokter in het personeelsregister van het ziekenhuis, vindt het telefoonnummer van Dr. COP21 en belt hem op: Hallo, u spreekt met Dr. COP21. Helaas ben ik op dit moment niet beschikbaar. In geval van nood kunt u contact opnemen met mijn vriend Dr Liberalismus. Hij zal u graag helpen.
Nog een telefoontje. De bel gaat twee keer, dan weer verder.
– Dokter Liberalismus hier, wat kan ik voor u doen?
– Goedemorgen, beste collega. Ik heb de leiding over de nachtdienst in het ziekenhuis in Parijs. En om eerlijk te zijn maak ik me zorgen over een van de patiënten van dokter COP21: de aarde. Ze lijdt aan verschillende snijwonden, diepe wonden en ontelbare intoxicaties. Maar wat me meer zorgen baart is dat er geen behandeling is ondernomen om haar te genezen…
– Genees deze oude dwaas! Maar je wilt lachen: ah ah ah, dat is het grappigste wat ik ooit heb gehoord.
– Wat zegt u?
– Je hoorde me goed. Er is geen sprake van om deze gekke oude vrouw te behandelen. De Aarde is daar geen ziekenhuis voor.
– Maar waarom anders?
– Het maakt deel uit van de behandeling van mijn patiënt, Miss Economie. Zie je, de groei weer op gang brengen is niet gemakkelijk. Het kost moeite, energie, grondstoffen, olie, gas, chemicaliën… De verwerking van Miss Economy levert veel afval op, en aangezien het ziekenhuis geen vuilnisbak is, gebruiken we deze oude aarde om alles weg te gooien waar we geen raad mee weten.
– Ben je gek?
– Helemaal niet. Ik zorg voor mijn patiënt: Miss Economie. Het is jong, en wat kan het mij schelen als een oude, verouderde planeet van 4,6 miljard jaar wat zinloze schade moet oplopen? De aarde heeft tenslotte een goed leven gehad. Zij kan enkele offers brengen om een jonge economie te redden die haar hele leven nog voor zich heeft. Als je erover nadenkt, is het alleen maar eerlijk…
– Maar de Aarde zal sterven!
– Dat zou je kunnen denken. Zijn inwoners, misschien. Duizenden, miljoenen, miljarden, wie weet? Maar niet die gekke oude Aarde: zij is taai, zij is taai, zij zal ons allen overleven… In ieder geval is één ding zeker: ik verbied u mijn patiënt, Miss Economy, niet langer te behandelen, in de hoop de pijn en het lijden van uw verdomde planeet te verlichten.
Daarmee hangt de man op. Op hetzelfde moment, gaat de intercom van het ziekenhuis over. De nachtdokter antwoordt. Overweldigd roepen zijn collega’s hem om hulp: er is een wachtrij in de spoedgevallenkamer. De dienstdoende arts gaat hen helpen, maar niet zonder na te denken over de onmogelijke vergelijking die alle regeringen in de wereld drijft: de economie stimuleren om banen te scheppen betekent de opwarming van de aarde niet afremmen. Vooral wanneer we een transnationale economie bevorderen, waarin producten steeds sneller, steeds verder circuleren en daarbij veel energiebronnen verbruiken. Anderzijds betekent het niet beteugelen van de opwarming van de aarde het doden van mensen, heel veel mensen, als gevolg van extreme weersomstandigheden die uit de hand kunnen lopen als er niets wordt gedaan om te stoppen de aarde te vergiftigen met kooldioxide.
Hij mompelt nog tussen neus en lippen door als zijn eerste patiënt arriveert. Ik ben het. Een man van in de veertig, zittend in een rolstoel. Ik heb mijn enkel ontwricht of gebroken. Hij neemt me mee naar de röntgenkamer om het zeker te weten. Onderweg vertelt hij me wat hij net heeft doorstaan en voor welk dilemma hij staat: de aarde redden zou de economie, de banen, de groei om zeep helpen… Maar de economie redden betekent duizenden, miljoenen, misschien zelfs miljarden levens opofferen… Wat te doen? Wat moet ik kiezen?
Ik zeg: lees antropologieboeken!
– Sorry, » zei hij.
– De oplossing voor je probleem is daar, in de antropologie boeken.
– Het spijt me, maar wat je zegt klopt niet. Hoe kan de studie van verloren beschavingen, door iedereen vergeten, ons helpen?
– Want de samenlevingen van weleer, die niet modern waren, begrepen iets dat ons vandaag ontgaat: een macht is slechts legitiem op voorwaarde dat zij zorg draagt voor het collectieve welzijn van de mensen, maar ook van planten en dieren.
– Makkelijker gezegd dan gedaan!
– Helemaal niet. Neem Centraal Afrika: het was ooit de thuisbasis van vele koninkrijken. Welvarend en machtig. Maar waar de legitimiteit van de macht gebaseerd was op een mengeling van animisme en magie. De koning werd gezien als een schakel tussen de mensen en de geesten, de rechtmatige eigenaars en meesters van de natuur (van de groei van planten tot de vruchtbaarheid van vrouwen). Laat de koning ziek zijn, en de natuur leed. Laat de koning gezond zijn, en de natuur was vruchtbaar…
– Pure manipulatieve onzin, verzonnen door machtsbeluste monarchen.
– Helemaal niet. Je hebt het helemaal mis, Dokter. Koning zijn in Centraal Afrika was allesbehalve een plezier. Hoezeer de macht van de koning om de natuur te beheersen ook door iedereen werd erkend, het leven van een monarch was (in onze individualistische ogen) een hel van verboden. Van cultuur tot cultuur varieerden deze verboden: niet in het openbaar mogen eten of drinken, niet de hele dag mogen spreken, nooit naar een oceaan of een rivier mogen kijken… Al deze beperkingen waren bedoeld om een teveel aan magie te beteugelen en om « natuurlijke » tragedies te voorkomen (bijvoorbeeld droogte in de zaaitijd) die onvermijdelijk zouden optreden als de koningen mochten doen wat ze wilden. In sommige gevallen werden koningen zelfs gecastreerd om hun macht beter te beheersen…
– Oh, ik had gehoord dat ze tientallen vrouwen hadden?
– Niet alle samenlevingen werkten op dezelfde manier. Sommigen achtervolgden hun koningen, anderen boden hun, inderdaad, tientallen vrouwen aan. Maar als een polygame koning zijn tientallen vrouwen niet langer kon bevredigen, kon men oordelen dat hij moe was, dat zijn lichaam niet sterk genoeg meer was, dat zijn magie uitgehold was. In veel gevallen werd een zieke of ongezonde koning als gevaarlijk voor het collectieve belang beschouwd: wat zou er gebeuren als de oogsten mislukten? Daarom eindigden vele heilige koningen hun heerschappij op een tragische wijze: zij werden ritueel ter dood gebracht.
– Wat een wreedheid!
– Wreedheid ver beneden de onze, Dokter. Eeuwenlang heeft het Westen alle samenlevingen uitgeroeid die de pech hadden niet voldoende op het Westen te lijken. En vandaag roeien we straffeloos de basis van het leven op deze planeet uit. Hoeveel duizenden, miljoenen, of zelfs miljarden tragische lotgevallen zijn er opengelegd? Allemaal omdat we de economie aanbidden…
De dienstdoende arts zweeg. Hij zei alleen, « Hier zijn we in de röntgenkamer. Ik ga je voet onderzoeken. Maar daarna, als je het niet erg vindt, zou ik graag een tijdje over Afrika praten… »
» Eendimensionaal denken wordt systematisch bevorderd door beleidsmakers en hun massale informatieverstrekkers. Hun discursieve universum is vol van veronderstellingen die hun rechtvaardiging in zichzelf vinden en die, onophoudelijk en uitsluitend herhaald, hypnotische formules, dictaat worden. Zo zijn de instellingen die in de landen van de vrije wereld functioneren « vrij »; andere transcendente vormen van vrijheid zijn per definitie anarchisme, communisme of propaganda « . Herbert Marcuse, « L’homme unidimensionnel « , Éditions de Minuit, Parijs, 1968, p.42.
» Vandaag herinnert bijna niemand in het Westen zich Saladin of de grote wetenschappelijke, artistieke en sociale doorbraken van de moslimwereld. Maar iedereen is « goed geïnformeerd » over EI. Deze laatste staat natuurlijk alleen bekend als een « islamitische extremistische groepering », niet als een van de belangrijkste instrumenten die het Westen gebruikt om het Midden-Oosten te destabiliseren « . Noam Chomsky & André Vltchek, « Het terroristische westen, van Hiroshima tot droneoorlogsvoering « , Éditions Ecosociété, Montréal, 2015, p.162 [note].
» Wat wordt beschreven als de islam behoort tot het discours van het oriëntalisme: het is een kunstmatige constructie om gevoelens van vijandigheid en antipathie op te wekken tegen een deel van de wereld dat toevallig van strategisch belang is vanwege zijn olie, zijn dreigende nabijheid tot het christendom en zijn geduchte historische concurrentie met het Westen. « Edward W. Said, in een lezing aan de Universiteit van Massachusetts in Amherst in 1997[note].
Alles komt samen: klimaatrampen, identiteitsconflicten, het rondzwerven van de jeugd[note], economische, financiële, sociale en politieke crises. Een wereld is stervende en het recente terrorisme is slechts het hoogtepunt van een logica van seculiere overheersing van het Westen over de rest van de wereld. Want als het Westen vandaag opzien baart, dan was zijn vroegere glorie reeds de vrucht van imperialistische dood, lijden en vernietiging, waarbij uit « zijn » niet-westerse ruimte de grondstoffen en goedkope arbeidskrachten werden geput die essentieel zijn voor onze manier van leven. In deze tegenspoed moeten wij van de nood gebruik maken om onszelf in de spiegel te bekijken, om die onontbeerlijke introspectie te doen, zonder welke niets zal veranderen. De reactie van de regeringen is natuurlijk heel anders. Degenen die verantwoordelijk zijn voor de deplorabele toestand van onze wereld blijven ons tegen elkaar uitspelen, onder het mom van eenheid; toekomstige oorzaken van nog grotere problemen, bieden zij steeds weer hun antwoorden, die slechts schijnoplossingen zijn die de situatie ongetwijfeld zullen verergeren: preventieve oorlogen, permanent alarm en politiestaat, terwijl het bevel tot eenheid de strijd sust en onrechtvaardige handelsverdragen laat passeren, privatiseringen, misdadige uitbreidingen van oude kernreactoren, aankoop van wapens en oorlogsvliegtuigen, buitenlandse inmenging.Zou het niet tijd worden dat het Westen eindelijk eens aan psychoanalyse gaat doen?
Het delirium van eenheid dat door de regering en de media verplicht is gesteld, dwingt ons om, wanneer we ons uitspreken, rechtstreeks te zeggen wat vanzelfsprekend is: « ja, we waren ontroerd en geschokt toen we hoorden van de moorden in Parijs op 13/11 [note]Wij zijn geschokt door de aanslagen in Brussel van 22 maart, en wij zijn bij voorbaat geschokt door de aanslagen die in de toekomst nog zullen plaatsvinden « . Men kan ontroerd zijn, maar men kan ook trachten te begrijpen waarom sommige mensen dat niet zijn, of zeggen dat zij dat niet zijn (twee schijnbaar identieke reacties, maar met heel verschillende grondslagen); men kan ook even uit de emotie stappen en kijken naar de historische en huidige verantwoordelijkheden voor de toestand van de wereld. Want emotie alleen is de vector van een gevaarlijke – en valse, zoals we zullen zien – consensus en van een a-historische waarneming die bevriest in het heden en op zichzelf.
Het is zeker duidelijk dat wij leven, voelen en reageren op de wereld waarvan wij deel uitmaken en die ons omringt, maar dat de manier waarop wij in deze wereld staan ingeschreven, bepalend is voor de emotionele ervaring. Logischerwijze zou er dus geen bevel tot ontroering moeten zijn, alleen een poging om alles te begrijpen wat indirect en direct tot dit drama heeft geleid. In die zin, en zoals we zullen zien, moeten de enkele « provocaties » van moslimjongeren op sommige scholen, waarin de aanslagen van Parijs worden geprezen en hun soms dubieuze toon over het in te nemen standpunt, niet leiden tot repressie (naar het voorbeeld van Frankrijk na de aanslagen van Charlie Hebdo, waar jongeren in hechtenis werden genomen omdat ze de minuut stilte niet in acht hadden genomen), maar veeleer tot het stellen van vragen aan onszelf.
ONZE LICHAMEN ZIJN RUSTELOOS, WANNEER ZAL HET DENKEN TERUGKEREN?
Emotie, indien natuurlijk, neemt niettemin de gevoelige kant van het wezen over en ontneemt het voor min of meer lange tijd zijn vermogen tot redeneren. Het maakt plaats voor een soort discours dat over het algemeen niet constructief is, omdat het wezen wordt binnengedrongen en teruggetrokken. De beelden komen voorbij, de lichamen op de grond, het bloed, ze volgen elkaar op, zonder verklaring; en breken voor een moment de illusie van de georganiseerde maatschappij.
In een hypergemedieerde wereld, wanneer een gebeurtenis ongewoon plaatsvindt, waar de dood op een woeste manier plaatsvindt en het lijden zich vermengt, zijn de individuele emoties die het oproept, heel normaal, het resultaat van een Op die manier worden zij van subjectieve ervaringen omgevormd tot gemediatiseerde, gemondialiseerde emoties, die worden uitgewisseld via het gemondialiseerde commerciële mediasysteem – een uitwisseling die niet losstaat van de terroristische intentie zelf, die op dit mediavenster berust. Zij maken dus deel uit van dit schouwspel waarin « een deel van de wereld zichzelf voorstelt voor de wereld, en er superieur aan is » en waarin « een deel van de wereld zichzelf voorstelt voor de wereld, en er superieur aan is « . wat de toeschouwers verbindt is slechts een onomkeerbare relatie tot het centrum zelf dat hun isolement in stand houdt. De show brengt het aparte samen, maar het brengt het samen als een afzonderlijke entiteit « [note]. In deze voorstelling bevriest de enscenering van de emotie ons, en in deze collectieve enscenering is de functie ervan niet gratuit, het is geen emotie om de emotie, het is niet neutraal, het dient propaganda en moet snel worden vervangen door een andere, om niet te onderbreken.
Enkele dagen na de 24-uurs uitzending van de reportages over de moorden van 13 november heeft Tf1, de zender van miljardair Martin Bouygues, de winnares van Secret Story 9 en de 31 kandidaten van Miss France 2016 op zijn voorpagina gezet: the show goes on. Ook na de aanslagen in Brussel zal het dat blijven doen: op 23 maart is op de website van de Belgische krant Le Soir de achtergrond gewijd aan de MIIX 700 – een soort laptop/tablet – waardoor de indruk wordt gewekt dat de inhoud van de site – de artikelen – slechts een kader is dat toegang geeft tot de advertentie. Onfatsoenlijk? De industriële pers stelt niet de vraag: wij gaan niet stoppen met consumeren. De vader van propaganda, Edward Bernays, geloofde dat » Het denken in de strikte zin van het woord heeft geen plaats in de collectieve mentaliteit, die wordt geleid door impuls, gewoonte of emotie « .[note](in de logica van de media hebben de beelden van de winnaar van Secret Story en de doden van 13 november dezelfde functie, ook al zullen sommigen dat niet willen horen). Dit was tamelijk goed nieuws, aangezien hij een deel van zijn leven zou wijden aan het helpen van de industriëlen om de massa’s zo te vormen dat zij nu de producten wilden die zij maakten. Emotie op zich, als zij een noodzakelijke reactie is, laat geen ruimte, als zij aanhoudt, « gecollectiviseerd » wordt en onder controle van de massamedia staat, voor welke uitlaatklep dan ook. Het is dus van essentieel belang verder te gaan dan dit normale stadium om het ontstaan van het denken mogelijk te maken, niet met het doel een religieuze waarheid te bereiken die het mogelijk zou maken zonder enige twijfel te verklaren wat er gebeurd is – « wij hebben het begrepen » – maar om te trachten alles in de beschouwing te betrekken, zelfs wat a priori geen verband leek te hebben met wat er gebeurt. En om het zo goed mogelijk te begrijpen.
« KAN PARIJS – EN NU BRUSSEL – ONZE WESTERSE ILLUSIES DOORPRIKKEN?
In het geval van de aanslagen in Parijs van 13 november 2015 en de aanslagen die daarop volgden, is het echter onwaarschijnlijk dat dit eensgezinde en samenhangende denken op massale schaal zal worden verwezenlijkt[note]De belangrijkste, die alle andere verklaart, is dat deze mogelijkheden om tot een gedecontextualiseerd denken te komen (waarbij het subject zelf zich – gedeeltelijk – zou losmaken van wat hij is, van zijn onmiddellijke belangen, zijn overtuigingen, zijn natie, van al die sporen die door opvoeding en socialisatie in ruime zin zijn achtergelaten en die de vrije uitoefening van het denken kunnen beperken) alle gebaseerd zijn op één en dezelfde voorwaarde: de volledige bevraging van ons westers model en het gevoel van superioriteit dat daaraan inherent is. Dit is een grote onderneming, aangezien het niets minder inhoudt dan de maatschappij in haar geheel te veranderen, of er in eerste instantie mee in te stemmen, door een andere maatschappij voor te stellen en aldus ook de betekenis die wij aan ons leven en aan onszelf geven, te veranderen.
In die zin is het uitoefenen van je intelligentie, in de zin van het waarnemen van je omgeving om die te begrijpen, noodzakelijkerwijs en vooral het aanvaarden om te overwegen wat voor ons voorheen ondenkbaar was. Evenals het zien dat ‘onze’ westerse waarden de vernietiging en plundering verhullen die nodig zijn voor onze manier van leven. Het overheidsjargon dat door de dienaren van de macht via hun propagandamiddelen in de media wordt gebruikt, roept voortdurend de naam op van democratie, mensenrechten, vrede, rechtvaardigheid, vrijheid, met als enig doel een gordijn op te trekken om de dictatuur van de markten te camoufleren, de rechten die aan bepaalde mensen zijn voorbehouden, de oorlog, het onrecht, de gevangenschap van duizenden wezens, de structurele ellende.
En als het wezenlijke punt van de ideologie van de westerse samenlevingen gebaseerd is op het idee dat het subject zichzelf alleen construeert, is het moeilijk te denken dat iemand anders dan hijzelf geïnstrumentaliseerd zou kunnen zijn (« als ik mezelf alleen heb gemaakt, heeft de ander dat ook »), « gemaakt » door een context, dat persoonlijke disposities een wisselwerking zouden kunnen hebben gehad met de objectieve voorwaarden van het bestaan. En dat sommige van deze « objectieve voorwaarden » historisch kunnen zijn. Anders gezegd: hoe kan van het subject worden verwacht dat hij meester is over wat hij is en denkt (een grondbeginsel van het liberalisme, geïllustreerd door de ideologie van de « self-made-man« )? « In die zin is het idee dat een ander een bloedige daad kan stellen die hem te boven gaat – omdat ook hij vrij zou zijn van wat hij is en denkt – niet in die zin dat hij zich er op het moment van handelen niet ‘bewust’ van was, maar dat zijn daad het resultaat was van meerdere invloeden en, meer diepgaand, van internationale contexten – de westerse interventie in Irak, Libië en Syrië (zie hieronder), om nog maar te zwijgen van het verval van de Franse en Belgische voorsteden en het ontbreken van het gevoel tot een land te behoren, internationale contexten – de westerse interventie in Irak, Libië en Syrië (zie hieronder), om nog maar te zwijgen van het vroegere kolonialisme, het verval van de Franse en Belgische voorsteden en het gebrek aan toekomstperspectieven voor de mensen die er wonen (het werkloosheidscijfer voor jongeren onder 25 jaar bedraagt bijvoorbeeld 40,9% in Molenbeek)[note]), het latente racisme en de eeuwige stigmatisering van de autochtone buitenlander, die nergens te bekennen is.
Dit onvermogen om ons in te leven, om onze westerse verantwoordelijkheid voor de schepping van « monsters » in te zien, is ook een teken van de doorleefde superioriteit en de onbetwiste dominantie van het Westen. Geen vraagtekens bij het hyperconsumentisme, dat voor een groot deel mogelijk wordt gemaakt door de olie die wij nodig hebben en die ons buitenlands beleid stuurt. We zouden allemaal op hetzelfde spoor zitten, met het Westen voorop, en alle problemen zouden zichzelf oplossen door de integratie van het « inferieure » subject in de waarden van de dominante groep (uitgedrukt in de termen « onderontwikkeld », « ontwikkelingslanden », « opkomende », « geavanceerde » landen), een beweging die verantwoordelijk is voor wereldwijde uniformiteit. Het taalgebruik in de dagen na 13 november in Parijs illustreert dit onwrikbare geloof in onze superioriteit en ons gevoel niet verantwoordelijk te zijn voor de toestand in de wereld:
« De daden die vrijdagnacht in Parijs zijn gepleegd « vormen een agressie tegen ons land, tegen zijn waarden, tegen zijn jeugd, tegen zijn manier van leven « . Hier, in zijn toespraak tot het Parlement, verklaart Hollande de vrijheid die eigen is aan onze landen. Dit wijst er zowel op dat « zij » – de anderen – deze niet delen (dit « zij » omvat uiteraard niet alleen de terroristen, maar meer in het algemeen, en onvermijdelijk, alle moslims en de islam in het algemeen), maar ook dat zijn waarden van meet af aan het zuurdesem van onze westerse samenlevingen zijn en niet in twijfel mogen worden getrokken (de aanslag en de interpretatie ervan versterken dit gevoel);
In het verlengde van het eerste punt zouden alle oorlogen, politiek-militaire keuzes van de machthebbers en diverse interventies in het kader van het buitenlands beleid geen enkele invloed hebben op de reacties van deze « terroristen » op korte en lange termijn, die zouden zijn alsof zij geen geschiedenis hadden. De feiten zijn historisch: deze gebeurtenissen « zijn het werk van een jihadistisch leger, de Daech-groep, die ons bestrijdt omdat Frankrijk een land van vrijheid is, omdat wij het land van de mensenrechten zijn » (F. Hollande). De dictatuur van het heden overschrijft elke tijdsdimensie. En inderdaad, het is beter de westerse verantwoordelijkheden voor de toestand van de wereld te verbergen, omdat zij, eenmaal ontmaskerd, alleen maar in tegenspraak zouden kunnen zijn met de woorden van hen die beweren afkomstig te zijn uit een « land van mensenrechten en vrijheid « . Zo versterken, paradoxaal genoeg op het eerste gezicht, aanvallen op mensenrechten-thuislanden het feit dat zij mensenrechten-thuislanden zijn. Zo zal de mediapolitieke beschrijving meestal ophouden bij de beschrijvende ontvouwing van de feiten, bij de genealogie van de dag van de daders, door hen in verband te brengen met afzonderlijke leden van extremistische groeperingen, zonder te trachten hun persoonlijke « pre-radicaliserings »-traject uit te leggen. Ze komen van wie weet waar.
Over het algemeen is de gebruikte oorlogszuchtige en vergelijkende retoriek – « Meer dan ooit blijft het Franse leger gemobiliseerd om de dreiging van terroristen tegen te gaan. We zullen deze oorlog winnen. » (Gal de Villiers, Etat-Major Armées, 22 maart 2016) – genereert en voedt een discours van inter-groep « confrontatie », dat meer dan wat ook een diepgeworteld verlangen in zich draagt om de groep die vergelijkt – dus ons – niet in vraag te stellen. Wij definiëren onszelf door een andere groep te definiëren die tegen onze eigen en haar vermeende waarden ingaat. Een methode die erin bestaat iets te zeggen zonder het te zeggen.
ENKELE BASISBEGRIPPEN VAN SOCIALE PSYCHOLOGIE
Afgezien van de reden om te strijden om de controle over materiële hulpbronnen, vervullen de gevechten tussen groepen ook symbolische en identiteitsfuncties op een primordiale wijze. « Intergroepconflicten zijn [donc] een sociale concurrentie die in haar meest concrete vorm verder gaat dan eigenbelang « [note]. Dit is van fundamenteel belang voor het onderhavige vraagstuk, want in de wetenschap dat conflicten en oorlogen alleen direct en materieel voordeel opleveren voor de rijken, regeringen en wapenhandelaars, moeten wij begrijpen dat zij ook indirect voordeel kunnen opleveren voor de mensen.
Sociale identiteit, het deel van het zelfbeeld dat voortvloeit uit het groepslidmaatschap, « vereist de minimale aanwezigheid van eengroep ‘voor je’ « [note]. Om zich als lid van een groep te kunnen definiëren, om er een positieve sociale identiteit aan te kunnen ontlenen, heeft men dus een andere groep tegenover zich nodig, waartegen men zich bij voorkeur verzet en die dus de waarden van de eindgroep (de groep waarmee men zich identificeert) als positief zal definiëren. In principe, om lid te zijn van een voetbalteam A, heb ik een voetbalteam B nodig (of Y, X, enz.).
Deze vergelijking met een andere groep zal essentiële stereotiepe mechanismen uitlokken:
Zichzelf categoriseren als lid van een groep zal de perceptie van homogeniteit binnen de eigen groep en binnen de andere groep waarmee men zich vergelijkt, accentueren, evenals de verschillen tussen de eigen groep en de groep waarmee men zich vergelijkt. Dat wil zeggen, de leden binnen de groep (A) zullen zichzelf beschouwen als meer gelijkend op elkaar dan ze in werkelijkheid zijn en zullen leden van de andere groep beschouwen als (B) waarmee zij zichzelf ook vergelijken als meer gelijkend op elkaar, en dus hun groep (A) als zeer verschillend van de andere (B). Dit « Wij zijn allen gelijk in onze groep en zij zijn allen gelijk in de hunne, dus zijn wij zeer verschillend van hen », is een onvermijdelijk, automatisch cognitief mechanisme, eigen aan het sociale wezen, en er is echte introspectie voor nodig om er zich bewust van te worden. De verklaring van François Hollande illustreert dit mechanisme perfect: « Vrijdag was heel Frankrijk het doelwit van terroristen. Het Frankrijk dat houdt van leven, cultuur, sport en feesten. Frankrijk zonder onderscheid naar huidskleur, afkomst, achtergrond of godsdienst. Het Frankrijk dat de moordenaars wilden doden was de jeugd in al zijn verscheidenheid. De meeste doden waren jonger dan 30 jaar. Hun namen waren Mathias, Quentin, Nick, Nohemi, Djamila, Hélène, Élodie, Valentin en ik vergeet er nog zoveel ! » Geen verwijzing naar het Frankrijk dat op sterven na dood is, het armzalige Frankrijk, het Frankrijk dat geen feest viert en uitgesloten is van de « cultuur »: Arnault, Bouygues, Dassault, de belastingvluchtelingen en de renteniers van het 16e arrondissement van Parijs zitten naast de werkloze moeder die niet rond kan komen, de jonge schoolverlater zonder integratiepremie, de berooide oude gepensioneerde, de randstedelijke jongere zonder toekomst, de studente die zich prostitueert om haar studie te kunnen betalen. Het is « Nationale eenheid in het aangezicht van gruwel » (F. Hollande);
De « allen gelijk in de aangevallen groep » wordt dus beantwoord met een mentaal mechanisme van « allen gelijk in de aanvallende groep ». Hoezeer sommige leiders ook doen alsof zij het verschil kennen (zij doen het perfect wanneer zij deals moeten sluiten met terroristische staten zoals Saudi-Arabië of Qatar, zie hieronder), dit is het cognitieve mechanisme dat zich voltrekt. Het is dus onvermijdelijk dat de andere groep, de moslims, wordt gehomogeniseerd: zij staan allen vijandig tegenover vooruitgang en moderniteit, zijn « vijanden van de vrijheid » volgens de definitie van de westerse samenleving, en potentieel gevaarlijk. Wij weten niet wie ‘zij’ zijn, maar wij weten wel dat zij zichzelf definiëren in volmaakte tegenstelling tot wat ‘wij’ zijn – en dat zij daarom niet als te verschillend van elkaar kunnen worden gezien op het gevaar af ons niet langer het beeld te geven dat wij zo op elkaar lijken.
« We zijn allemaal Charlie », « We zijn allemaal Parijs », « We zijn allemaal Brussel », dus uiteindelijk betekent het « We zijn allemaal verenigd ». Geen splitsingen meer, geen tweedracht meer. De Belgische premier Charles Michel heeft na de aanslagen in Parijs duidelijk gemaakt: « in de strijd tegen het terrorisme is er geen rechts, geen links » (…) « Laten we verder gaan dan onze verschillen, laten we samenkomen, meer dan ooit moeten we ons verenigen achter onze fundamentele universele waarden, respect voor anderen, verdraagzaamheid… » (…) (…) « Met verschillende woorden hebben wij uiteindelijk een duidelijke boodschap gegeven, die de universele waarden van vrijheid hoog in het vaandel willen dragen. Ik roep alle parlementariërs en democraten op om samen te komen. Laten we aan het werk gaan! « . Leuk getheoretiseer, in de wetenschap dat een « anti-terroristische » context in de praktijk aanleiding zal geven tot maatregelen – nogal rechts, als dit begrip nog zin heeft – die ingaan tegen waarden als openheid, delen, begrip en solidariteit tussen de gemeenschappen – vijandig tegenover elke uitdaging aan de gevestigde orde. Perfect voor het neoliberale beleid van de partijen in de Belgische regeringsmeerderheid, waarvan een van de leden, Didier Reynders (MR), al had geschitterd omdat hij de fameuze notionele interest had uitgevonden, een subtiele belastingregeling waardoor België meer dan 2 miljard euro verloor… rechtstreeks in eigen zak gestoken door de grootste multinationals[note]Alle Charlie natuurlijk », bazen zowel als werknemers of ontslagen.
Na Parijs was pathetische haast de regel van de machthebbers: op 19 november 2015 kondigden zij aan dat de demonstratie op 29 december in Parijs bij de opening van Cop 21 werd afgelast[note]Zelfs als men een aantal eisen verwachtte die nog hoop op verandering gaven in » het bewustzijn van leiders » – regering, NGO’s, multinationals – die « zich bewust moeten zijn van hun verantwoordelijkheden. moet verantwoordelijkheid nemen « .[note]Maar het is even zeker dat andere groepen zullen demonstreren, en hun eisen zullen baseren op een terugkeer naar een democratisch beheer door het volk zelf, niet vragend om een andere wereld, maar aantonend dat het aan ons is om die te maken. Geannuleerd. Het gebod van consensus duldt per definitie geen dissensus, en dus geen betwisting. Doorlopen, er is niets te zien!
België, « verenigd » met het Franse leed, neemt ongekende maatregelen. 13 november: aanslagen in Parijs, Belgische scholen twee dagen dicht; 22 maart: aanslagen in Brussel, scholen blijven open. Zoek naar consistentie.
ACHTER DIT ALLES, HET BEVEL OM NIET TE DENKEN
Deze reacties maken deel uit van het belangrijkste kenmerk van de moderne mens en het ideologische systeem dat hem gevormd heeft, namelijk het onvermogen om, ondanks de schokken van de werkelijkheid, vraagtekens te zetten bij het model van de kapitalistische maatschappij waaraan zijn levensstijl beantwoordt. Dat is niet nieuw, want Auschwitz symboliseert de grote historische gebeurtenis waarvan de moderne samenleving niets heeft geleerd, waardoor zij zichzelf in de spiegel zou kunnen aankijken en niet langer « de moderniteit vrijpleit » door ons ervan te blijven overtuigen dat wij de beschaafden zijn die tegenover de barbaren staan: » De quarantaine van een halve eeuw geleden is nog steeds aan de gang. Men zou zelfs kunnen zeggen dat de heggen van prikkeldraad mettertijd dikker zijn geworden. Auschwitz is een « Joods » of « Duits » probleem geworden en het eigendom van Joden of Duitsers (…) Deze onrechtmatige monopolisering verhindert in feite dat de als « uniek Joods« gepresenteerde ramp een universeel probleem van de moderne menselijke conditie wordt en dus een publiek bezit . In feite is een dergelijke presentatie, die de Holocaust reduceert tot de Duitse bijzonderheid, een « sstrategie die als dubbel resultaat heeft dat misdaad wordt gemarginaliseerd en moderniteit wordt vrijgepleit [qui] is de holocaust te isoleren uit een categorie van vergelijkbare verschijnselen en te interpreteren als een uitbarsting van premoderne (barbaarse en irrationele) krachten die in beschaafde samenlevingen allang overwonnen zijn « normaal » « [note].
Ironisch genoeg is deze vergelijking met de huidige situatie. Net zoals de Holocaust werd gereduceerd tot een probleem tussen Duitsers en Joden, tot antisemitische haat alleen – net zoals men probeert het Palestijnse conflict te reduceren -, waarbij men weigert de causaliteit te zien die ligt besloten in de bureaucratische organisatie van onze wereld die deze verschrikkingen heeft veroorzaakt, zo wordt de situatie in het huidige discours opnieuw gereduceerd tot een beschavingsconflict dat zou worden vertaald door de haat van een godsdienst en degenen die deze aanhangen tegen de westerse beschaving en haar waarden. Een interpretatie die al het westerse superioriteitscomplex weerspiegelt dat de rijkdom van de moslimwereld negeert en een hele beschaving gelijkstelt aan barbaren zodra een paar woedende gekken zich uitroepen…
De « etiologische mythe die diep geworteld is in het bewustzijn van onze westerse samenleving is het opbeurende verhaal van de mensheid die opstaat uit een pre-sociale staat van barbarij « , en zou deze dichotome vorm van denken voeden die voordelig is voor de propagator ervan. Holocaust of andere tragedies zouden daarom slechts vergissingen zijn en geen creaties van een bepaald soort samenleving, » Met andere woorden, we hebben nog niet genoeg beschaving, het beschavingsproces moet nog worden voltooid. Als de bloedbaden ons werkelijk iets geleerd hebben, dan is het wel dat het voorkomen van dergelijke hikkende barbarij nog meer beschavende inspanningen vereist. Niets in deze les doet twijfels rijzen over de toekomstige doeltreffendheid van dergelijke inspanningen of de uiteindelijke resultaten ervan. We gaan zeker de goede kant op. Maar misschien niet snel genoeg « [note]. En meer dan ooit tevoren in onze tijd is « beschaving » synoniem geworden met ongebreideld liberalisme.
Er is dus alleen de haat die deze terroristen koesteren, meer niet, een haat die alleen voortkomt uit de verwerping van moderne waarden, zonder enige oorsprong, geschiedenis of genese: er worden geen vragen gesteld over het verleden (welke rol heeft het Westen gespeeld – kolonisatie – in de huidige verdeeldheid), noch over het heden (welke rol speelt het vandaag – buitenlands beleid, financiële belangen, dubieuze collaboraties, westerse levenswijze), noch over het menselijke proces van radicalisering (de volwassen terrorist wordt gereduceerd tot de enige dimensie die hem definieert, bijna alsof hij als terrorist geboren is. Wij vragen ons nooit af waarom dit nu gebeurt en of in een fatsoenlijke en egalitaire maatschappij, die niet streeft naar overheersing van een deel van de wereld over het andere, van een groep over de andere, die tot het uiterste gaat in opvoeding, datzelfde kind een terrorist zou zijn geworden. Dit gebrek aan vraagstelling maakt terrorisme tot een quasi atavistisch trekje).
ONZE LEVENSSTIJL STAAT HAAKS OP HET ZOEKEN NAAR DE WAARHEID
De gewoonte om de oorzaken van het disfunctioneren buiten het systeem te zoeken: het zijn de « terroristen », de « vijanden van de democratie », de « barbaren », de « krachten van het kwaad », legitimeert onze manier van leven en stelt geen grenzen aan ons optreden, geen drempel waarboven onze plundering van de wereld onder het mom van « humanitaire hulp » en « preventieve oorlogen » geacht zou kunnen worden « voldoende » te zijn. Onze onheroïsche daden zijn duidelijk afwezig in het discours – of niet waargenomen in een structurele dimensie -, het zijn dan gewoon toevalligheden; geen spiegel dus, geen noodzaak om ons internationaal of intern beleid te herzien. Is het onderwijs medeverantwoordelijk voor het afdrijven van jongeren die begeleiding nodig hebben? Maar nee, alsjeblieft! Zieken moeten alleen gezien worden als zieke mensen, maar dan wel zieke mensen uit een bepaalde groep, niet als etiologie: ongeacht de geschiedenis van het onderwerp wordt hij of zij gereduceerd tot de rang van terroristen, en degene die probeert te begrijpen wordt gelijkgesteld aan degene die probeert te verontschuldigen[note]bijna zelf een schuldige[note].
Want het is beter voor de machthebbers als de onderdaan niet nadenkt en gevoed wordt met informatie die niet tot de kern van het probleem doordringt. En aangezien het subject een secundair voordeel ontleent aan de voorwerpen van kapitalistische consumptie – zij bevredigen hem tijdelijk van zijn ontevredenheid, omdat hij zich ervan afkeert – komt er een vorm van samenspanning tot stand tussen zijn keuzes, zijn perceptie van de werkelijkheid en die van de macht die alleen maar « groei » nastreeft, de koopkracht van de massa’s en dus productie en consumptie.
Achter het gordijn van het mediapolitieke spektakel is de werkelijkheid echter grimmig, en uiteindelijk heel eenvoudig. John Perkins, een Amerikaans staatsburger, legt in de documentaire « Let’s make money » uit wat zijn baan als « financiële moordenaar » inhield: « Onze taak is vergelijkbaar met die van een maffiamoordenaar, want ons principe van « geven en nemen » wordt al eeuwenlang door de maffia en gangsters toegepast. Maar wij handelen op zeer grote schaal, met regeringen, landen en wij zijn professioneler. Wij gaan op verschillende manieren te werk: meestal identificeert de financiële moordenaar een land dat over hulpbronnen beschikt die onze bedrijven willen hebben en bereiden wij een enorme lening voor bij de Wereldbank of een zusterorganisatie. Maar het geld gaat nooit naar dit land. Het gaat naar onze eigen bedrijven die infrastructuurprojecten in het land opzetten; dit komt ten goede aan een paar zeer rijke mensen die in het land wonen en aan onze bedrijven, maar niet aan de meerderheid van de bevolking, die te arm is. Toch zijn zij degenen die enorme schulden erven, zo hoog dat zij die niet kunnen terugbetalen. Zolang ze moeten afbetalen, kunnen ze zich geen goed medisch of onderwijssysteem veroorloven, en de economische moordenaars vertellen hen dat: « Jijje bent ons veel geld schuldig, je kunt je schulden niet betalen; geef ons een pond van je vlees« .« Verkoop ons uw olie met korting« , « steun ons bij de volgende cruciale VN-stemming« of « EStuur je troepen naar Irak bijvoorbeeld« . Zo zijn we erin geslaagd dit imperium te creëren. Want wij maken de wetten, wij controleren de Wereldbank, wij controleren het IMF, wij controleren zelfs de Verenigde Naties. En wat economische moordenaars doen is niet illegaal. Landen in de schulden duwen en dan gunsten van hen eisen zou illegaal moeten zijn, maar dat is het niet.
Een van de kenmerken van een imperium is zijn munt op te leggen aan de rest van de wereld. Dat is wat we deden met de dollar. In 1971 hadden de Verenigde Staten een zware schuldenlast, voornamelijk als gevolg van de oorlog in Vietnam. Het systeem van de gouden standaard was van kracht. Op een dag besloten landen hun schulden in goud te betalen in plaats van de onveilige dollar. Nixon weigerde in goud te betalen, ondanks de bestaande standaard, omdat de VS niet genoeg voorraad hadden. Al snel werd olie de nieuwe referentie. Ik heb een grote rol gespeeld in de onderhandelingen met Saoedi-Arabië, door erop aan te dringen dat de OPEC olie alleen in dollars verkoopt. De dollar is de referentievaluta voor olie geworden. Deze norm is veel belangrijker, aangezien olie tegenwoordig veel meer waard is dan goud. Sindsdien koopt de wereld olie alleen nog in dollars, een zeer machtige valuta. Vandaag is de VS weer bankroet. We hebben enorme schulden, meer dan enig ander land ooit heeft gehad. Als een land zou besluiten zijn schulden in een andere valuta dan de dollar te betalen, zouden wij ernstig in verlegenheid worden gebracht. Momenteel betalen landen in dollars, omdat olie een onmisbaar goed is dat alleen in dollars kan worden gekocht, maar Sadam Hoessein dreigde vlak voor zijn val olie te verkopen op andere manieren dan in dollars…
Soms slaag je er niet in leiders om te kopen, zoals ik met Omar Torrijos in Panama en Jaime Roldos in Ecuador. Het gebeurt niet vaak, maar in dit geval zijn de jakhalzen losgelaten. Zij zijn degenen die de regering omverwerpen of hun leiders vermoorden. Na mijn mislukking met Omar Torrijos in Panama en Jaime Roldos in Ecuador, werden de jakhalzen gestuurd om hen te doden. Alleen als de economische moordenaars en jakhalzen falen, dan en alleen dan wordt het leger gestuurd. Dit is precies wat er in Irak is gebeurd: de moordenaars slaagden er niet in Sadam Hoessein te corrumperen, de jakhalzen konden hem niet doden, dus werd het leger erop af gestuurd. De eerste keer dat het leger Irak binnenviel, in 1991, werd het leger van Hoessein vernietigd. Men dacht dat hij genoeg gestraft was en wel van gedachten zou veranderen. In de jaren ’90, kwamen de moordenaars terug en probeerden hem te overtuigen. Als hij had toegegeven, zou hij nog steeds zijn land besturen en zouden ze hem straaljagers, tanks, wat hij maar wilde, verkopen. Maar hij gaf zich niet gewonnen, de jakhalzen doodden hem niet. Hij was zeer goed beschermd, hij had verschillende dubbelgangers. Zelfs zijn mannen wisten niet of hij het wel was die ze begeleidden. Noch de economische moordenaars noch de jakhalzen slaagden de tweede keer, dus stuurden we het leger opnieuw en schakelden hem uit. Wat volgt is een deel van het verhaal « [note].
De woorden van John Perkins zullen nooit het onderwerp worden van een terugkerend debat in de massamedia, zozeer zelfs dat zij de dominante belangen verdedigen, hun pagina’s vullen met autoreclames en daarom onze hyperafhankelijke olie-levensstijl niet ter discussie kunnen stellen. Op dezelfde manier wordt wat er in Syrië gebeurt niet verklaard door een pers die de oligarchie dient. Dit maakt het makkelijker om een tiran te beschrijven die moet worden geëlimineerd. Wijzelf zien het liever niet, staan te popelen om in onze auto te stappen om boodschappen te doen in de supermarkt, vergeten ons werk en vliegen weg voor een citytrip naar New York of Milaan. Genieten van onze ‘vrijheid’, zeker.
DE ARABIER DIE HET BOS VERBERGT
De westerse oorlogspropaganda moet een vijand creëren om haar interventies te rechtvaardigen, de plundering van de planeet voort te zetten en de westerse manier van leven in stand te houden. In Syrië speelt Bashar Al Assad deze rol perfect; in Rusland is het Vladimir Poetin[note]. Terwijl het Westen de Syrische leider onder vuur nam, bewapende het tegelijkertijd degenen die zich tegen hem verzetten: de organisatie Islamitische Staat en diverse rebellengroepen. Ondanks de bewering van het Westen dat het controle heeft over de uitgedeelde wapens, die alleen bestemd zijn voor « gematigde rebellen », zijn twee dingen bekend: dat deze controle zeer moeilijk, zo niet onmogelijk, in te voeren is, en dat er geen – of zeer weinig als men in de Koerdische rebellen van Rojava een vorm van oppositie met het Syrische regime ziet – « gematigde rebellen » tegen het Syrische regime bestaan.
Hoewel wij geen commentaar kunnen geven op wat Bashar Al Assad daadwerkelijk heeft gedaan, kennen wij wel de situatie in het land. In conflict met Israël, dat een deel van zijn grondgebied bezet houdt (de Golan-hoogte), en geconfronteerd met het dubbele gevolg van de invasie van Irak door de Westerse mogendheden: de vluchtelingencrisis uit een verwoest Irak en de oprichting van Daech, was en is Syrië het slachtoffer van talrijke pogingen tot « destabilisatie » door de Verenigde Staten en andere Westerse landen. Het is dus een land dat zich verdedigt, wat Jean Bricmont doet zeggen dat » Bashar Al Assad slacht zijn eigen volk niet af voor de lol, zogezegd, maar omdat hij verwikkeld is in een oorlog op leven en dood met een even gewelddadige, maar minder zwaar bewapende oppositie .[note]. Ten tweede voegt hij er, gezien de cluster van destabiliserende factoren in Syrië, met betrekking tot Bashar Al Assad aan toe dat hij » Het is moeilijk te geloven dat het zo lang weerstand had kunnen bieden aan een opstand die duidelijk door buitenlandse mogendheden werd gesteund zonder de steun van ten minste een aanzienlijk deel van zijn bevolking. Er zijn veel dictaturen die zijn ingestort door een veel zwakkere oppositie dan die van de « Syrisch regime« wordt geconfronteerd met « [note].
We kunnen dus geen precieze informatie krijgen over het persoonlijke gedrag van de Syrische president (net zomin als we precieze informatie kunnen krijgen over het optreden van westerse leiders, behalve dat we weten dat ze systematisch worden vrijgesproken voor datgene waarvan ze worden beschuldigd. Sarkozy, naast vele anderen, is een perfect voorbeeld, die, als we in een fatsoenlijke samenleving zouden leven, samen met Didier Reynders en een groot aantal andere politici achter de tralies zou moeten zitten…), kunnen we echter zien dat er door zijn regime stappen zijn ondernomen die er geenszins op gericht waren de westerse landen schade te berokkenen. Zo onthulde Bernard Squarcini, voormalig hoofd van de Franse inlichtingendienst, onlangs dat « de Syrische geheime diensten bij hem kwamen met een lijst van alle Franse jihadisten die in Syrië actief waren « [note]. Mooi gebaar voor degene die wordt voorgesteld als een bloedige tiran… Bernard Squarcini « wendde zich vervolgens tot zijn Franse tegenhanger die zei: ‘Ja, ik ben geïnteresseerd, maar ik moet verwijzen naar premier Manuel Valls‘ « . Waarop laatstgenoemde antwoordde:« Geen sprake van, wij wisselen geen informatie uit met een regime als Syrië. De Franse premier heeft dus hulp geweigerd die de aanslagen van 13 november in Parijs, die in Brussel, en de volgende had kunnen voorkomen…
« Al-Nosra [Syrische terreurgroep gelieerd aan Al Qaeda] doet goed werk op het terrein« (Laurent Fabius, Le Monde, 13/12/2012)
Manuel Valls weigerde echter niet met zo’n stelligheid een bezoek aan Saoedi-Arabië in oktober 2015, tijdens het Frans-Saoedische forum in Riyad: « Manuel Valls heeft op 12 en 13 oktober 2015 een officieel bezoek gebracht aan Saudi-Arabië. Hij werd vergezeld door Laurent Fabius, minister van Buitenlandse Zaken en Internationale Ontwikkeling, J-Y. Le Drian, minister van Defensie, Alain Vidalies, staatssecretaris van Vervoer, Zeewezen en Visserij, en Jean-Marie Le Guen, staatssecretaris van Betrekkingen met het Parlement « [note]. Didier Reynders, toenmalig liberaal minister van Financiën, heeft in 2012 Saoedi-Arabië bezocht en een ontmoeting gehad met de Saoedische prins Nayef Bin Fawaz al Chaalan, die ervan wordt beschuldigd betrokken te zijn bij een omvangrijke cocaïnesmokkeloperatie met een diplomatiek vliegtuig en die ook wordt gezocht door Interpol. Didier Reynders, op de foto met de prins, zijn broer en het luipaard van de prins, zei dat hij niets wist van het verleden van zijn gastheer… hij moest de woorden van de twee Saoedische broers negeren die zeiden » dagelijks in contact staan (via satelliet) met leden van de Syrische oppositie « . Maar gelukkig was de Saoedische dynastie er voor Didier Reynders, die hem toestond » om licht te werpen op de manier waarop bepaalde groepen op de grond opereren. Dit toont zeker de complexiteit van de Syrische kwestie aan« [note]. Enige interesse misschien? Hier en daar… Valls » verschillende overeenkomsten, contracten en intentieverklaringen ondertekend, met een totale waarde van ongeveer 10 miljard euro [note]Prins Filip van zijn kant heeft verscheidene economische missies naar Saoedi-Arabië uitgevoerd: » Het succes van Besix in Saoedi-Arabië is te danken aan de aanwezigheid van prins Filip tijdens de economische missie « [note]. Ach, wat zouden we niet doen voor geld, en het « economisch herstel van Frankrijk » of België en « groei », zelfs als dat een paar aanslagen betekent… en » praten met mensen wiens waarden je niet deelt[note]zei Charles Michel.
Wij zijn niet langer « tegenstrijdig », als er geld is, zijn wij zelfs in staat « Saoedi-Arabië te promoten bij de Mensenrechtenraad « . Ja, zoals de uitvoerend directeur van UN Watch zegt: « Petrodollars and politicstrump human rights « [note]. Het is dan ook niet verwonderlijk dat « noch de Verenigde Staten, noch deEuropese Unie, noch Frankrijk zich destijds tegen deze benoeming hebben verzet « . Oh, kom op, het is niet erg als ze een paar stenen gooien naar begraven bloggers totdat ze sterven, en onthoofden op openbare pleinen in een hoger tempo dan Daech, « die barbaren ». Nog gênanter is het wanneer een Saoedische prins, Abdel Mohsen Ibn Walid Ibn Abdelaziz, in Beiroet wordt gearresteerd met twee ton Captagon. Captagon is de drug die werd aangetroffen op de persoon die op het strand van Sousse tekeerging en die de terroristen innamen voor zij hun ultieme daad pleegden… en die de aanvallers van 13 november in Parijs vermoedelijk ook hebben gebruikt. Maar Saoedi-Arabië heeft geld en in tijden van crisis kan Frankrijk niet terugdeinzen voor bepaalde investeringen. De perceptie van barbaarsheid en verontwaardiging heeft zijn grenzen: onze belangen…
EEN PAAR AANVALLEN OM IN EEN AUTO TE KUNNEN BLIJVEN RIJDEN
Krijgen we wat we verdienen? Een beetje, althans volgens Marc Trevidic: voormalig onderzoeksrechter in het antiterrorismecentrum van Parijs: » Frankrijk is niet geloofwaardig in zijn betrekkingen met Saoedi-Arabië. Wij weten heel goed dat dit Golfland het gif in het glas heeft gegoten door de verspreiding van het wahhabisme. De aanslagen in Parijs zijn een van de resultaten. Zeggen dat wij de radicale islam bestrijden terwijl wij de hand schudden van de koning van Saoedi-Arabië is hetzelfde als zeggen dat wij het nazisme bestrijden terwijl wij Hitler aan onze tafel uitnodigen « [note]. Deze steun gaat ook gepaard met een volledige gelijkschakeling van Frankrijk met de Verenigde Staten en Israël: » Wanneer men het over Frankrijk heeft, kan men niet voorbijgaan aan de olifant in de kamer, waarvan iedereen weet dat hij bestaat en waarover niemand spreekt (of durft te spreken): de buitengewone invloed van pro-Israëlische netwerken in de politieke wereld, de media en de intellectuele wereld. En het is duidelijk dat alle « Arabische nationalistische regimes« Dit is een reeds lang bestaande haat in pro-Israëlische kringen, ook in die van Syrië. Dit, in combinatie met de toenadering tot de Verenigde Staten, verklaart de fanatieke vijandigheid van sommige Franse leiders tegenover de « Syrisch regime« [note].
Maar « Chuutt » is niet te zeggen. Laten we ons in plaats daarvan scharen achter loze kreten als: « Het terrorisme zal de republiek niet vernietigen, want het is de republiek die haar zal vernietigen » [note]. De ‘Republiek’ wil niet praten over wat ze heeft opgebouwd. Het verhaal ook niet vertellen, zeggen dat Al Qaeda voortkomt uit Amerikaanse steun aan de Mujahideen in de strijd tegen het terrorisme, buitenlandse inmenging die in het tijdperk van de heksenjacht het Midden-Oosten volledig zal destabiliseren, waarvan het EI slechts het vervolg zal zijn: » Al-Qaeda is een van de radicale islamistische groeperingen die door het Westen in diverse moslimlanden zijn opgericht en ingevoerd, en meer recentelijk de organisatie Islamitische Staat. De EI is een gewapende extremistische groepering die is ontstaan in de « vluchtelingenkampen« de Turks-Syrische en Jordaans-Syrische grenzen. Het heeft van de NAVO en het Westen financiële middelen ontvangen om tegen de (seculiere) regering van Bashar al-Assad te vechten. Deze radicale elementen hebben verschillende functies. Het Westen gebruikt hen als tussenpersonen in de oorlogen die het voert tegen zijn vijanden, d.w.z. tegen die landen die volharden in het ondermijnen van de totale wereldheerschappij van het Imperium. Dan, als deze extremistische legers naar « Als zehun zinniet krijgen (wat ze uiteindelijk altijd krijgen), worden ze veranderd in vogelverschrikkers om de oorlog tegen terreur te rechtvaardigen of, zoals we zagen na de inname van Mosul door EI, een nieuwe interventie van westerse strijdkrachten in Irak « [note]. Dit komt uiteraard ten goede aan het militair-industrieel complex en de plutocratie die dit complex dient en erdoor gediend wordt, dat wil zeggen een heersende kaste in dienst van het grootkapitaal die door haar langdurige noodtoestandmaatregelen vooral beschermd wordt tegen afwijkende meningen over hun overheersing en tegen het aan de kaak stellen van hun historische rol in wat er gebeurt.
Van zijn kant heeft Rusland, na verscheidene jaren van mislukte Amerikaanse aanvallen op Syrië en gewapende steun van Frankrijk, besloten in te grijpen. Reactie van de Franse regering? « Op 30 september verrast door het besluit van Poetin om alle vijanden van Bashar al-Assad te bombarderen, ongeacht hun gezindheid, reageerden zij door wapens te sturen naar alle oppositiegroepen tegen het Syrische regime, ongeacht of zij al dan niet als islamisten werden bestempeld . Het is dus duidelijk dat wanneer Frankrijk zegt dat het de rebellen bewapent, het de terroristen bewapent. En dezelfde landen die verbaasd zijn over de resultaten van de acties die zij in stand houden, zullen even verbaasd zijn dat de wapens die zij vervaardigen, terechtkomen in de handen van terroristen in de flats van Saint-Denis, of in de handen van strijders van Islamitische Staat. « Oh boy, als we het geweten hadden… », uh, maar je moet kunnen« praten met mensen wiens waarden je niet deelt », en tussen praten en handelen, is er… niets.
Deze uiteindelijke beslissing was een verder bewijs van de bereidheid van Frankrijk om de oppositionele krachten van de president te steunen in plaats van Daesh te bestrijden. Naast de weigering van Frankrijk om het Syrische voorstel tot samenwerking met zijn inlichtingendiensten ter beteugeling van waarschijnlijke aanslagen in te willigen, heeft het voormalige hoofd van de Amerikaanse inlichtingendienst reeds in een geheim rapport aan de kaak gesteld dat » de salafisten, de Moslimbroederschap en Al Qaida in Irak waren de belangrijkste krachten in de opstand in Syrië », gesteund door « Westerse landen, de Golfstaten en Turkije »; deze anti-regerings jihadistische groeperingen, bewapend en gesteund door het Westen, zijn door deze steun Daesh geworden.[note] CQFD? Nee, dat lijkt niet genoeg bewijs te zijn voor sommigen… (als de media ons echt zouden informeren, wat ze niet zullen doen).
Laten we niet bang zijn om het te zeggen: « De uiteindelijke daders van de Syrische tragedie zijn degenen die decennialang hebben geprobeerd het Midden-Oosten te domineren en alle regimes die zich tegen hun overheersing verzetten, te ondermijnen« . Jean Bricmont voegt hieraan toe:« In Europa is een dergelijke constatering vrijwel onmogelijk, maar dit is niet het geval in de rest van de wereld, en het autisme waarin de Europese opinies zijn verzonken is slechts een van de zoveelste symptomen van ons verval « [note]. Laten we daaraan toevoegen: onze neergang die, als hier niet snel verandering in komt, apocalyptische vormen zal aannemen.
De transcendente waarde, boven een zogenaamd westers of islamitisch universalisme, die de verschillende groepen bindt, is die van geld en winst tot elke prijs. « Democratie of mensenrechten » en « religieuze voorschriften » zijn slechts instrumenten voor het bestendigen van de overheersing waarmee zij hun daden rechtvaardigen. Kennis van de koloniale geschiedenis en de neokoloniale mutatie ervan stelt ons in staat te begrijpen dat radicale groeperingen niet alleen door het Westen werden gesteund, « maar dat het Westen ze ook heeft gecreëerd », » Het Westen identificeerde de meest afschuwelijke monsters, gaf ze miljarden dollars, bewapende ze, gaf ze militaire training op hoog niveau, en liet ze vervolgens in het wild los. De landen die het terrorisme voortbrengen, zoals Saoedi-Arabië en Qatar, behoren tot de naaste bondgenoten van het Westen en zijn nooit gestraft voor het verspreiden van gruwel in de moslimwereld « [note].
Onze onderdrukte westerse superioriteit, of nog belangrijker, de ingebouwde norm van onze cultuur, is eeuwenoud. De meesten van ons zijn voortdurend bezig met het hiërarchiseren van de culturen en etnische groepen van deze wereld die, onder het voorwendsel van onze superioriteit op alle niveaus, in de westerse mal moeten worden gesmolten. Achter de « Wij zijn Charlie », « Wij zijn Parijs », « Wij zijn Brussel »… schuilt de onwetendheid over wat we zijn.
En deze onwetendheid wordt gevoed door onze illusie dat wij sterker zijn dan alles, beschermd door politie en leger. Achter een hersenschim van bescherming gaat de waarheid schuil dat de terroristische strijd, ontleend aan de maquisstijl van de Viet Cong, veel machtiger is dan de georganiseerde politie en het leger. Honderden jongeren zijn al teruggekeerd uit Syrië, duizenden terroristen zullen binnenkort uit Turkije komen zodra de visumplicht om naar Europa te komen wordt afgeschaft. Op dat moment, kunnen we er niets meer aan doen. Het leger dat door onze straten paradeert zal het ergste niet voorkomen. En het zal een chaos zijn.
Zullen we de absurditeit begrijpen die ons regeert? De illusoire superioriteit die ons drijft dicteert onze relatie met de Ander en met onszelf?
Er is weinig hoop. Maar als er weinig zijn, zijn er nog steeds…
We hebben Raoul Hedebouw ontmoet, federaal afgevaardigde van de Belgische Partij van de Arbeid (PTB). Hoewel het duidelijk is dat wij het eens zijn over bepaalde punten van analyse en mogelijke oplossingen, is het ook duidelijk dat wij verdeeld zijn over een aantal kwesties en beleidslijnen. In deze onzekere tijden vereist de situatie echter dat wij ons verenigen rond datgene wat ons verenigt. De strijd in het veld leidde onmiddellijk tot wijzigingen van de theorie. Tenminste, dat hopen we*…
AP: Ten tijde van de golf van ontslagen was er een slogan die zei « blijf van mijn baan af ». Denkt u dat alle banen, welke dan ook, het waard zijn om verdedigd te worden? Ik citeer Alain Accardo: » Le arbeiders en hun organisaties, d.w.z. de « goederenarbeiders », zijn slechts medeverantwoordelijk voor deze plundering en vernietiging voor zover zij de werkgelegenheid tegen elke prijs in de bestaande context verdedigen en daartoe alles bestrijden wat onmiddellijk de economische groei en de financiële rentabiliteit van de investeringen vermindert »…
Het verdedigen van banen zou de kapitalisten in de kaart spelen? Laten we de tegenovergestelde stelling poneren: zouden zij die het banenverlies aanvaarden dan helpen om het kapitalisme te vernietigen? Dat is ook niet het geval. Het bewijs is dat veel werkgevers blij zijn dat regeringen banenverlies toestaan, omdat hun doel is goederen te produceren om op solvente markten te verkopen, ongeacht de werkgelegenheidsgraad. De strijd van de arbeiders voor het behoud van banen is inderdaad een antikapitalistische strijd. De echte vraag is wat te doen tijdens deze werkuren, en het is waar dat dit onder het tapijt is geschoven in de sociale strijd, die gericht is op het collectieve eigendom van de produktiemiddelen. Vandaag zijn we nog steeds in de verdediging. In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog was deze kwestie veel meer aanwezig. Veel werknemers zeggen me dat ze anders en iets anders moeten produceren, zodat het er voor hen niet op aankomt hun baan koste wat kost te behouden zoals hij is. Ex-FN werknemers zouden dus liever potten en pannen maken als ze konden!
AP: Toch lijkt het erop dat de PTB vecht voor een eerlijker verdeling van de vruchten van de productie, maar zonder de productie zelf aan te raken. Ik denk aan de metaalindustrie, auto’s…
We hebben dit besproken op ons laatste congres. Het heeft ons marxisten lang ontbroken aan een systemische, en in het bijzonder ecologische, visie. Door te proberen kleine dagelijkse gevechten te winnen, soms met succes, hebben we de systemische kant uit het oog verloren. En als we de productie in twijfel trekken, zitten we er middenin! Aangezien alleen de markteconomie over de produktie beslist, heeft het geen zin om in deze of gene fabriek een kleine slag te winnen. We moeten de systemische strijd aangaan tegen hoge kosten. Het socialisme 2.0 is veel minder gericht op de kwantitatieve productie van goederen dan in het verleden. Het technisch en wetenschappelijk niveau in de rijke landen maakt het mogelijk de kwalitatieve kwestie van een ander soort produktie opnieuw aan de orde te stellen.
AP: Als deze vraag zich niet voordeed, zouden wij ons dan anti-kapitalisten kunnen noemen? Hier citeer ik André Gorz: » De arbeidersbeweging en de vakbeweging zijn slechts anti-kapitalistisch voor zover zij niet alleen de hoogte van de lonen en de arbeidsvoorwaarden ter discussie stellen, maar ook het doel van de productie, de goederenvorm van het werk dat deze productie voortbrengt. « Hoe kom je aan zijn voorstel?
Ik kan Gorz volgen in deze kritiek. De marxistische strijd heeft te veel een uitsluitend sociaal-economische kant, ook binnen de PTB. Tijdens ons laatste congres hebben we gesproken over andere belangrijke onderwerpen die aan de orde moeten komen: vrede, ecologie, mensenrechten, feminisme, COP 21, enz. Wij zouden deze gebieden graag meer aan de orde stellen, maar dat ligt niet voor de hand, omdat het PTB (nog) niet hoorbaar is op deze punten. Aangezien de crisis systemisch is en niet kan worden opgelost door kapitalistische economische achteruitgang, is het jammer dat de oplossing niet in de arbeidersbeweging wordt gezien. Het is een kwestie van anders produceren. Maar tegelijkertijd is het legitiem voor werknemers om te proberen hun onmiddellijke problemen op te lossen. Anderen trekken zich terug op het anders-globalisme of op degrowth, die minder verband houden met de sociaal-economische kwestie. Sociale en antikapitalistische revoluties zijn gebaseerd op onmiddellijke behoeften en niet op doelstellingen voor 100 jaar. Het marxisme van vandaag moet werken aan het samenvoegen van die twee aspecten, iets wat in het verleden duidelijk te weinig is gedaan.
BL: Toen David Pestieau het in het debat had over « anders » maar niet minder produceren, was ik sceptisch. Het is echter essentieel om de stroom van materialen, energie en informatie te verminderen om een duurzame ecologische voetafdruk te bereiken…
De totale hoeveelheid goederen die moet worden geproduceerd om ecologisch duurzaam te blijven, is een complexe kwestie. Welke eenheid zouden we gebruiken? Zeker niet de dollar, zelfs niet de euro, noch het BBP. Als marxist zullen wij de arbeidswaarde nemen, d.w.z. de sociale tijd die nodig is om een goed te produceren. Als het bijvoorbeeld vier keer zo lang zou duren om een « groenere » trein te produceren dan een gewone trein, zou onze rijkdom met een factor vier toenemen. Maar er zou nog steeds maar één trein zijn. We moeten overgaan op korte circuits en meer gedecentraliseerde productie. Maar ik denk niet dat de totale hoeveelheid geproduceerde rijkdom moet dalen, omdat de hoeveelheid werk die wij dankzij onze technologieën zullen produceren, kan toenemen. De vraag is: wat voor goederen gaan we produceren, en hier ben ik het eens met de linkse degrowthisten. De ecologische en energietransitie zal veel werk vergen: windenergie, geothermische energie, maritieme energie, zullen enorm veel werk met zich meebrengen.
BL: Maar bent u zich bewust van de uitputting van alle soorten hulpbronnen (fossielen, mineralen, zand, enz.)? We zullen het in de toekomst met minder van deze hulpbronnen moeten doen, eenvoudigweg omdat ze niet langer tegen redelijke economische kosten beschikbaar zullen zijn, en hernieuwbare energiebronnen zullen ze niet volledig compenseren…
Er moet hier een debat worden gevoerd. Hoe meer tijd er verstrijkt, hoe moeilijker de overgang zal zijn. Moeten wij in deze periode het verbruik verminderen? In West-Europa, zeker, ja. Op wereldniveau zullen we naar een ander soort consumptie gaan. Zullen wetenschap en technologie ons helpen? Ja, maar dat alleen zal niet genoeg zijn. Het zal ook een kwalitatieve verandering in levensstijl vergen. Ik denk het niet, omdat het kapitalisme tot nu toe een enorme rem op de wetenschap is geweest, waardoor zij haar positieve effecten niet volledig heeft kunnen ontplooien. Met een werkelijk vrije wetenschap ben ik ervan overtuigd dat we nieuwe en kwalitatief superieure manieren van leven zouden kunnen uitvinden die we vandaag de dag nog niet eens kennen!
BL: Technowetenschap staat tegenwoordig in dienst van het kapitalisme…
Natuurlijk. Ik heb plantkunde gestudeerd en ik heb gemerkt dat, zelfs op dit gebied, de wens om winst te maken uit alle wetenschappelijk onderzoek zeer frustrerend is!
BL: Als je het over comfort hebt, mogen we niet vergeten dat er twee soorten comfort zijn: het moderne dat door energieslaven wordt toegestaan, en het traditionele met, bijvoorbeeld, het dutje in een hangmat tussen twee kokospalmen aan zee. Een hangmat is een eenvoudig en comfortabel object! Moeten we de eerste versie blijven promoten, met volledige elektrificatie, of moeten we terugkeren naar een soberder begrip van comfort?
Ik zal in twee delen antwoorden. Wij weigeren het mercantiele comfort dat ons wordt gevoerd. Wat zijn onze ware verlangens? Maar als je zegt « terugkeren naar », is het een filosofische vraag. Om terug te keren naar een tijd waarin we een ander soort comfort hadden, ook commercieel, maar waar we zeker minder vervuilden? Integendeel, ik zeg dat het de bedoeling is « naar » iets anders te gaan met een ander soort produktie die niet zal lijken op die van de Dertig Glorieuze Jaren. Marxisten zetten altijd in op vooruitgang, op vooruitgaan. Wij kunnen ons bijvoorbeeld niet voorstellen terug te keren naar een economie van vóór de markt.
AP: Deelt de PTB niet met het kapitalisme deze godsdienst van de vooruitgang, volgens welke morgen noodzakelijkerwijs beter zal zijn dan vandaag?
Het begrip vooruitgang is niet noodzakelijkerwijs verbonden met kapitalisme. De kapitalistische definitie – verhoging van het BBP en de productie van elk winstgevend goed – weerleg ik. In een maatschappij die bevrijd is van de dictatuur van de multinationals, zal het debat over het comfortniveau zeer ingewikkeld zijn, omdat het individuele, maatschappelijke en ecologische behoeften zal moeten integreren. Dit is de uitdaging van duurzame ontwikkeling voor toekomstige generaties. De behoeften moeten collectief en democratisch worden vastgesteld.
AP: Maar wat hebben we echt nodig? Die gemaakt zijn door reclame? Ik heb de PTB niet vaak horen spreken over de invasie van reclame, bijvoorbeeld…
In Luik hebben we echter actie ondernomen tegen de reclameborden om ze beschikbaar te maken voor verenigingen. Maar ik ben het ermee eens: de PTB diversifieert haar profiel niet genoeg. De realiteit is dat er veel strijd moet worden geleverd: vluchtelingen, migranten zonder papieren, pariteit, enz. Het moet worden toegegeven dat de linkse politieke, vakbonds- en verenigingsbewegingen vandaag niet op het toppunt van de golf zitten. In het Noorden zijn ze in de verdediging; elders in het Zuiden zijn ze meer offensief. Dus hier kunnen we niet alles in de hand nemen. Op de dag dat de jeugd het heft in handen neemt, zullen we alle problemen weer kunnen aanpakken, zoals in de jaren zestig en zeventig. Laten we hopen op een pluriforme beweging met elkaar aanvullende strijd. Er zijn te weinig plaatsen waar we met elkaar praten, dat ontbreekt in België. Het opbouwen van een beweging in verscheidenheid is een uitdaging waaraan de PTB moet bijdragen.
BL: Je schrijft in Eerste links (Aden, 2013): « Laten we die miljoenen Afrikanen die wachten op tractoren om het land om te ploegen, niet vertellen dat er te veel staal is in de wereld. Ik zie dit als een industrieel concept dat tegen de ecologische muur zal botsen. Ja, misschien wordt er te veel staal geproduceerd in de wereld! Dit draagt bij aan de opwarming van de aarde, waarvan u zich terdege bewust bent. Is het echt een goed idee om in België staal te produceren om tractoren te maken voor Afrikaanse boeren, terwijl ploegen met tractoren en intensieve landbouw de bodem vernietigen? Is deze klassieke visie van technische vooruitgang niet voorbestemd om zich vanuit het Westen over de hele wereld te verspreiden?
Bij de degrowthisten is er ook een tegenstelling tussen de periferie en het centrum. Ik denk niet dat je de landbouw in arme landen kunt ontwikkelen zonder moderne technologie. Er zijn manieren om de technologie op een andere manier te gebruiken, zonder te moeten terugkeren naar kleinschalige familiale landbouw, wat geen oplossing is voor de toekomst. De Europese landen hebben een verantwoordelijkheid ten opzichte van de Derde Wereld om technologie te exporteren, om wetenschappelijke kennis te verschaffen waarmee zij hun eigen weg kunnen gaan en hun verwoeste economieën kunnen herstructureren. We moeten samen staan.
AP: Toch zouden volgens wetenschappelijke studies permacultuur en biologische landbouw de hele mensheid kunnen voeden. De mechanisatie van de landbouw is door het Westen aan de rest van de wereld opgelegd, maar is helemaal niet onontbeerlijk…
Als je het economische niveau van sommige Afrikaanse landen ziet, bijvoorbeeld zonder spoorwegen, dan is dat de afwezigheid van alles. Elk land heeft een minimale infrastructuur nodig om zijn economie te laten draaien. Het Zuiden heeft van ons technologieoverdracht nodig.
AP: Hoe verzoent de PTB, wat de landen van het Zuiden betreft, het behoud van werkgelegenheid, koopkracht en consumptie in de rijke landen, zonder ze te blijven uitbuiten? Laten we François Partant citeren, die het over de marxisten heeft: « Zij zagen niet – en zien nog steeds niet – dat hun ontwikkeling en die van de periferie onverenigbaar zijn »…
Het gevaar zou zijn dat de arbeidersklasse van de imperialistische metropolen tegenover die van de periferie komt te staan. Hier zouden we vijf keer minder kunnen werken, aangezien de productiviteitsstijging sinds het einde van de oorlog met dat percentage is toegenomen. Ik ben het ermee eens dat er een uitbuiting is van de volkeren van het Zuiden ten voordele van de Westerse elite… die niettemin een herverdeling ten voordele van de arbeiders toeliet tijdens de Trente Glorieuses…
AP: … uitbuiting ten voordele van de kapitalistische klassen, natuurlijk, maar die ook de onverzadigbare verlangens van Europese consumenten naar gefabriceerde voorwerpen voedt…
Arbeid is tegenwoordig goedkoper voor kapitalisten omdat zij die elders kunnen laten produceren. Ik zie dit als een positief verband, omdat de globalisering het vooruitzicht biedt op een meer gezamenlijke strijd van arbeiders dan in het tijdperk van het kolonialisme, toen de machtsverhoudingen en de onderlinge afhankelijkheid minder duidelijk te begrijpen waren. Hoewel we hier genoeg rijkdom produceren om goed te leven, is die nog steeds niet eerlijk verdeeld. De vraag is hoe te produceren en wat precies. Maar in het zuiden is er de kwestie van de hoeveelheid voor mensen die zelfs calorieën tekort komen. Wij zijn voorstander van arbeidstijdverkorting in plaats van het scheppen van banen, om redenen van welzijn en de mogelijkheden van democratie. Inderdaad, dit vergt tijd. Dit is van cruciaal belang, maar dertig jaar neoliberale « meer werken om meer te verdienen »-propaganda heeft ons in het defensief gedrongen en ons ertoe gebracht verloren terrein terug te winnen, wat moeilijk is.
AP: We moeten absoluut betekenis geven aan ons leven, aan ons werk, aan de maatschappij…
Ja, het marxisme moet deze vragen koste wat kost oppakken, ook al zijn het ingewikkelde vergelijkingen. In Latijns-Amerika komt na de linkse revoluties onmiddellijk de vraag aan de orde wat er moet worden geproduceerd en hoe dat moet gebeuren, wat zeer pragmatisch is! Op korte termijn moeten zij hun nationale veiligheid verzekeren en het hoofd bieden aan een agressief rechts dat hen op sociaal en economisch gebied opwacht, wat niet gemakkelijk is. In je eigen hoek staan en na drie weken omver geworpen worden heeft ook geen zin! Zij die over de meeste financiële en technische middelen beschikken om hun economieën om te vormen – de rijke landen – hebben een grote verantwoordelijkheid om de wereldwijde overgang te organiseren.
BL: Zou de eerste boodschap van een anti-kapitalistisch beleid niet zijn om mensen aan te moedigen hun rug toe te keren naar kapitalistische levensstijlenDe vraag is: wat zijn de gevolgen hiervan, d.w.z. het niet – of zo weinig mogelijk – consumeren van de producten die de kapitalisten hun verkopen? Antikapitalistisch zijn betekent in de eerste plaats dat je ophoudt je geld aan de onderdrukkers te geven. Als ik zie dat radicaal linkse activisten gebruik maken van goedkope luchtvaartmaatschappijen, « asociale » netwerken frequenteren of op Amazon kopen, is dat volkomen incoherent!
Ik zal in twee delen antwoorden. In de eerste plaats hebben veel PTB-leden een alternatieve consumptie, ik denk met name aan François Ferrero die een collectieve groentetuin runt. Ik ga zelf naar een biologische kruidenierswinkel. Nu is er het filosofische debat over de vraag of individueel gedrag de maatschappij zal veranderen of omgekeerd. Ik denk dat we eerst moeten nadenken over een verandering in de productie: als we bijvoorbeeld zouden besluiten geen plastic zakken meer te produceren, zouden we ze niet meer in de winkels vinden! Maar er is natuurlijk een evenwicht te vinden in individuele keuzes. Laten we er ook voor waken dat deze nieuwe sociale praktijken van alternatieve consumptie, die tijdrovend zijn, ons niet de tijd ontnemen die nodig is om andere gevechten te voeren. Men zou ons dus kunnen verwijten dat wij onze energie steken in een RAZ in plaats van bijvoorbeeld campagne te voeren voor en met vluchtelingen. Ik hoor de argumenten van de alternatieven, maar ik kan zien hoe één sociale strijd voorrang kan krijgen op de andere als de situatie dringend is, bijvoorbeeld een vakbondszaak in een bedrijf. Iedereen heeft zijn eigen invalshoek om te bepalen wat urgent is in de anti-kapitalistische strijd. Dat gezegd hebbende, de PTB moet ook een globale visie brengen. Laten we elkaars vechtmethodes observeren en van elkaar leren. Als een arbeider vond dat zijn koopkracht voorrang had op de kwaliteit van de produktie, zou ik het daar niet mee eens zijn. Wij eisen niet onmiddellijk een betere verdeling van de kapitalistische koek, maar wij willen wel het recept veranderen.
AP: Door eerst na te denken over wat we consumeren, door een debat op gang te brengen nog voor we concrete veranderingen doorvoeren, zullen we de objectivistische fout vermijden, zoals Alain Accardo het noemt, om alle onderdrukkingen buiten onszelf te zien zonder te beseffen dat ze ook geworteld zijn in onze subjectiviteiten en dat wijzelf ook deel uitmaken van het probleem.
Laten we een voorbeeld nemen. Ik reis door België om lezingen te geven en mijn stem te laten horen. Ik gebruik mijn auto voor dit doel en sta dus in het middelpunt van de tegenstelling tussen consumptie en ecologie…
AP: … maar we zijn allemaal tegenstrijdig, zelfs de tegenstanders van groei!
Oké. Aan de linkerkant, hebben we deze gedachte niet eens. Ik doe het graag, maar in werkelijkheid verandert het niet alle praktijken, verre van dat. Persoonlijk weeg ik de voors en tegens af, met in het achterhoofd de strategie: de democratische overname van de top van de productie. Zo is er een vorm van minder kwaad op korte termijn in het gebruik van de auto om het machtsevenwicht te veranderen. In de PTB hebben de verkozenen een klein salaris om gentrificatie door materiële rijkdom te voorkomen, dit is een belangrijke ethische invalshoek; als parlementslid verdien ik 1.430 euro per maand, ongeveer wat ik in mijn vorige baan verdiende. Dus, natuurlijk ga ik soms naar de supermarkten, omdat ik niet genoeg marge heb om « alternatief » te consumeren. Het belangrijkste is een synthese te maken van al deze beperkingen, restricties en persoonlijke keuzes, binnen en tussen organisaties, wat nog niet genoeg is gebeurd. Het was vaak een kwestie van anathema’s naar elkaar gooien. Het klassieke marxisme stigmatiseerde bijvoorbeeld de « egoïstische bobo die groen in zijn hoekje consumeert ». Omgekeerd begaan de degrowthisten die « de arbeider die zijn loon verdedigt zodat hij een flatscreen kan kopen » hekelen, ook een vergissing. Dit zijn te simpele visies. Laten we de dialoog tussen alle strijdende partijen intensiveren, laten we onze argumenten doordringend maken. Anders is onze verdeeldheid in het voordeel van onze vijanden.
BL: Gelooft u in de convergentie van gevechten?
Ja, en vooral op de convergentie van onze discussies! Het is niet noodzakelijkerwijs bij een demonstratie dat wij erin zullen slagen met elkaar te praten, wij moeten andere momenten organiseren. Hoeveel degradatoren hebben ooit een openbaar debat gehad met de stewards?
BL: Het is al eerder gebeurd en het ging goed! Het is jammer dat het bij theorie blijft. Als het erop aankomt ideeën in de machine te krijgen, lopen dingen vast.
Wat we gemeen hebben is het in vraag stellen van de gevestigde orde. Radicaal links, de vakbonden en de degrowthisten gaan allemaal tegen de stroom in, en dat is niet slecht om ons samen te brengen! Daarna zal de confrontatie van ideeën niet altijd gemakkelijk zijn, en des te meer wanneer zij in democratische besluiten moeten worden omgezet.
AP: U zei: « Het is frappant te beseffen hoe weinig de parlementaire meerderheid zich bekommert om wat de oppositie brengt. Ze verstoppen zich er niet eens voor.
Ja, maar dat wisten we vanaf het begin. Wij hebben de mensen nooit doen geloven dat wij iets zouden veranderen door het parlement in te gaan, waar veel van het werk nergens toe leidt. En dan te bedenken dat een wetsvoorstel gewoonlijk vijf jaar nodig heeft om door de molen te gaan… Onze miljonairsbelastingwet zal volgens mij pas aan het eind van de legislatuur aan de orde komen. Echte verandering zal van de mensen komen. Wij, leden van het Europees Parlement, kunnen alleen maar bijdragen tot de zichtbaarheid van de beweging.
BL: Denkt u dat historisch materialisme anno 2015 nog steeds een geldige theorie is? Ter herinnering wordt aangekondigd dat aan het einde van een min of meer lang dialectisch proces, de kapitalistische maatschappij geboorte zal geven aan een communistische maatschappij.
In het verleden was de zienswijze te deterministisch, vanwege het soort collectief bewustzijn dat heerste vlak na de Tweede Wereldoorlog, dat vond dat er in de toekomst niets mocht gebeuren zoals in het verleden. Mensen waren waarschijnlijk te enthousiast over de mogelijkheden om de wereld te veranderen. Aan de andere kant ben ik er vast van overtuigd dat het kapitalisme zal instorten.
BL: Maar zal de ineenstorting ervan noodzakelijkerwijs tot communisme leiden?
Het grote probleem is dat kapitalisten plannen B, C, D hebben die hen tijd geven. Hun middelen – techno-wetenschap, staatsgrepen, oorlog, massaconsumptie, bezuinigingen, enz. – zijn gebruikt om een nieuwe samenleving te creëren. – om de ontevredenheid van de mensen te kanaliseren en te neutraliseren zijn veel belangrijker dan we dachten. Het zal dus van de sociale actoren afhangen of zij al dan niet naar links zullen overstappen. In tijden van crisis komen ook smerige beesten tevoorschijn. Laten we terugkeren naar het hoofdpunt: historisch gezien staat het kapitalisme op het punt zijn loop te nemen, het zal sterven als gevolg van steeds ernstigere en systemische crises. Maar politiek bewustzijn moet volgen, ideeën komen niet vanzelf, en dat is onze verantwoordelijkheid als linkse volksvertegenwoordigers. De mechanismen van menselijke uitbuiting en uitbuiting van de bodem leiden niet automatisch tot een klassenbewustzijn; in het verleden was de conceptualisering te zelfverzekerd, ook al had Marx reeds de alarmbel geluid dat het kapitalisme de bodem uitputte en de metabolismen van de natuur niet respecteerde.
BL: Marx heeft de eerste tegenstelling Kapitaal/Leefkracht perfect geanalyseerd en had de intuïtie van de tweede tegenstelling Kapitaal/Natuur. Denkt u niet dat dit doorslaggevend zal zijn voor de val van het kapitalisme?
De twee moeten verbonden zijn. We zijn niet gelijk als het gaat om milieuschade. De internationale bourgeoisie zit niet zonder middelen om zichzelf te beschermen. Zij zullen gedeeltelijk in « hun wereld » kunnen blijven leven, omdat zij de materiële en financiële mogelijkheden daartoe hebben. Zij kunnen, tot op zekere hoogte, de grenzen verleggen in naam van de winst. De tegenstrijdigheid komt meer voort uit het kapitalistische productiesysteem dan uit de arbeid. Wij die economische veranderingen willen (naast andere dingen) zijn « veroordeeld » om de mensen bij ons te hebben, en dus om hun problemen met hen op te nemen. Sommige zijn rechtstreeks problemen op korte termijn: na de orkaan Katrina wilden de mensen eerst een huis, geen baan.
AP: Maar zij moeten ook andere perspectieven krijgen, zoals Christian Arnsperger zegt: « Zelfs in een volmaakt egalitaire samenleving zullen de angst en de opstand van elk individu fundamenteel intact blijven. Niemand zal minder bezitten dan een ander, maar bij gebrek aan geestelijke middelen zal ieder voor zich meer en oneindig meer willen.
Of de mens intrinsiek goed of slecht is, is een grote vraag. Ik denk dat de mens wordt wat de maatschappij van hem maakt. Steeds meer wetenschappelijke studies tonen aan dat samenwerking als evolutionair criterium zwaarder weegt dan competitie. Maar dit idee is niet wijdverbreid onder de mensen omdat de dominante ideeën die zij delen die van de heersende klasse zijn, zoals Marx had gezien. In een ander soort maatschappij, is het niet gezegd dat de mens egoïstisch zou blijven…
Geïnterviewd te Luik op1 oktober 2015 door Alexandre Penasse en Bernard Legros.
* Dit artikel is de lange versie van het artikel dat verscheen in Kairos 22 van november/december 2015
Gevangenis is niet » resocialiseren « , zoals we weten. Het straft alleen, dat weten we ook. En voor een lange tijd.
Maar achter de sluier van de oplossing die geen oplossing is, begint zij ook zeer aantrekkelijk te worden voor bedrijven die niet naar Bangladesh wensen te reizen. De gevangenis drijft dus zijn logica tot het punt van absurditeit als een instrument om de ellende die staten creëren te beheersen.
Geloof je ons niet ? Luister in plaats daarvan naar de oproep die werd gegeven aan de Cellmade « gevangenis werker »:
Le internationale pers gonst de laatste tijd van de tekenen van vijandigheid tegenover de Eurocraten in Brussel. « Eurocraat, gebruik je stropdas » luidt een op muren geschilderde en als stickers opgeplakte slogan met een tekening van een ambtenaar… hangend aan zijn stropdas.
In een brief aan de hoogste autoriteiten van de Unie hekelden zij de « talrijke persorganen die door anti-Europese verenigingen en lobby’s zijn verspreid [qui] regelmatig lasterlijke aanvallen uitvoeren op het Europees openbaar ambt », en erop aandringen dat « dringend moet worden gezorgd voor de daadwerkelijke verdediging van het personeel van de instellingen, dat niet alleen wordt belasterd (…) maar nu ook fysiek wordt geïntimideerd en beschimpt ». Het is waar dat « een groep activisten », in de marge van de mars van de Indignados afgelopen maart, de Eurocraten bij het verlaten van de metro begroette met « intimidatie, hoongelach » en liederen met « hatelijke woorden ». Deze « leiders » schilderden zelfs slogans als « Eurocraten van de stront! » Wat dan nog. Het is nergens meer veilig. Zelfs in een van de zwaarst bewaakte gebieden van de stad, maar waar men zich toch op de openbare weg moet wagen om de citadellen van de Unie binnen te gaan. De afsluiting van de Europese wijk tijdens de Europese topconferenties volstaat niet meer, de Belgische autoriteiten moeten de aanwezigheid van de politie daar opvoeren! Omdat er maar één stap is van graffiti naar terrorisme…
Een ondankbaar volk
In Brussel verwijst het neologisme eurocraat pejoratief en zonder onderscheid naar verschillende categorieën van personen die door Brussel reizen of er zijn komen wonen, rechtstreeks of onrechtstreeks in verband met Europese aangelegenheden. Een beetje zoals de schieven architek, waarmee ze ooit de projectontwikkelaars en bureaucraten aanduidden die verantwoordelijk waren voor het verwoesten van hun wijken om het grootste gerechtsgebouw ter wereld te bouwen.
Vandaag is Brussel een internationale hoofdstad. De 20 jaar (1866-1883) die nodig waren om het Justitiepaleis te bouwen, komen nu overeen met de levensduur van een nieuw kantoorgebouw. De werkplekken zijn minder lang, maar het zijn er wel meer. De stad is voortdurend in beweging. Alleen de mentaliteit van de Brusselaars en hun gebrekkige onderscheidingsvermogen lijken niet te zijn geëvolueerd! Nu is het de aanwezigheid van de Europese instellingen en hun entourage van bureaucraten die als buitensporig en minachtend wordt ervaren. Van de 190.000 Europeanen die in Brussel wonen, hebben er ongeveer 110.000 (40.000 ambtenaren, 20.000 lobbyisten, enz.), of 10% van de regionale bevolking, banden met de Europese instellingen en worden zij dus dagelijks gestigmatiseerd door het beeld van de goedgeklede man met een badge om zijn nek, die met snelle passen zijn rolkoffer voorttrekt. In plaats van dankbaar te zijn voor de instelling die hen een halve eeuw lang uit de oorlog heeft gehouden, klagen zij over de kleine ongemakken die haar ligging in hun stad hen oplevert… die zij vergelijken met Beiroet. Ze verkiezen oude kasseien boven minerale ruimtes en kleine huizen boven de flamboyante gebouwen van glas en beton die de Brusselse skyline zo modern maken. Kortom, ze zijn conservatief. En ondankbaar. Zij vergeten dat de Europese aanwezigheid in Brussel hun BBP heeft doen stijgen en hun regio in staat heeft gesteld mee te spelen op het internationale toneel van de concurrentie tussen grote steden. Beseffen zij dat Brussel zonder de instellingen een armzalig provinciestadje zou zijn?
Gelukkig zijn er onder hen politieke besluitvormers, investeerders of architecten die gevoel hebben voor geschiedenis en verantwoordelijkheid, en niet aarzelen om impopulaire beslissingen te nemen. Dankzij deze visionairs beschikt Brussel nu over bijna 13.000.000 m2 kantoorruimte (waarvan ongeveer 1/4 leeg staat), waarvan er 3.500.000 in gebruik zijn voor activiteiten die nauw of in de verte verband houden met Europa…
Harten en geesten winnen
Regeringen en investeerders doen echter hun uiterste best om de soepele integratie van Europeanen in de plaatselijke samenleving te bevorderen. Sportfaciliteiten en winkels zijn voor hen beschikbaar. Trendy bakkerijen en cafés voor hen floreren tot ver buiten de Europese wijk. Er worden groepsuitstapjes georganiseerd voor hun stagiairs. Scholen en crèches zijn open voor hun kinderen…
De instellingen laten geen gelegenheid voorbijgaan om hun menselijk gezicht te tonen en de inheemse bevolking te verleiden. Zij verspreiden brochures in hun Info Point met eindeloze reproducties van gele sterren op een blauwe achtergrond en de vlaggen van de aangesloten landen op glanzend papier. Zij organiseren volksfeesten met spectaculaire verlichtingen op de voorgevel van het Europees Parlement. Ze zijn van plan een museum te openen gewijd aan hun eigen glorie. Eenmaal per jaar nodigen zij gewone mensen uit om de Europese democratie te ervaren door een bezoek te brengen aan de zetel van de instellingen, een unieke gelegenheid om over hetzelfde tapijt te lopen en aan dezelfde tafels te zitten als Europese beleidsmakers, Ontroerende voorlichtingsfilms te zien over de deugden van de Unie, in alle talen nagesynchroniseerd door de warme stemmen van tolken met ervaring in simultaanvertaling, en zelfs te proeven van het heerlijke eten tegen bodemprijzen in de restaurants van Sodexho die de rest van het jaar niet toegankelijk zijn, dit alles terwijl men cadeaus voor het hele gezin ontvangt: tassen, potloden en opblaasbare ballonnen in Europese kleuren… Wat willen de mensen?
Maar clichés zijn moeilijk te doorbreken en er is geen gebrek aan slechte tongen om ze in stand te houden. Zo horen we vaak de klacht dat Brussel in de wereld het imago heeft gekregen van een soort bureaucratische vesting die het Kremlin waardig is; dat de stedenbouwkundige regels zijn afgestemd op de vestiging van Europese kantoren; dat de koopkracht van de Europeanen, die veel hoger ligt dan het gemiddelde van de inwoners, bijdraagt tot de stijging van de huurprijzen en huisvesting ontoegankelijk maakt voor de Brusselaars; enz. Sommige aanhangers van ideologieën uit een ander tijdperk gaan zelfs zover te insinueren dat de eurocraten hun privileges verdedigen (salarissen, voordelige pensioenen, preferentiële fiscale behandeling, enz.), terwijl hun ondoorzichtige en antidemocratische instellingen verantwoordelijk zijn voor de huidige bezuinigingen en dus voor de vernietiging van het ambtenarenapparaat in de lidstaten.
Om « doeltreffend terug te vechten » tegen deze stroom van snauwerig gewauwel, roepen de Europese handelsorganisaties « alle belanghebbenden bij het hervormingsproces van de EU op om [leur] Het Europees Parlement en de Raad van Europa moeten « de grootst mogelijke discretie betrachten in hun communicatie met de pers om te voorkomen dat de media allerlei beweringen verspreiden die gebaseerd zijn op overhaaste en slecht gedocumenteerde generalisaties, die later zouden kunnen worden uitgebuit door populistische organisaties die als enige motivatie hebben het imago van Europa te bezoedelen ». Met andere woorden, het is beter om niet te veel te praten over de lopende onderhandelingen over de salarissen van de Europese ambtenaren, anders « zullen er in de volgende fase slachtoffers vallen ».
Hun analyse sluit aan bij die van de overheden: de integratie van de Europese instellingen in Brussel is perfect geslaagd en staat symbool voor de nabijheid die de Unie bij haar burgers cultiveert. Als er een probleem is, is het hooguit een kwestie van communicatie. De mensen in Brussel zijn slecht geïnformeerd. De gezamenlijke inspanningen van de politie en de communicatiediensten van de Unie zullen dit zeker verhelpen…
Het is nu meer dan een jaar geleden dat de Japanse elektriciteitsmaatschappij TEPCO de controle verloor over vier van haar reactoren in Fukushima Daichi. De aardbeving van 11 maart 2011, waarvan het epicentrum zich 145 km voor de kust van Japan bevond, heeft het noordoosten van het land door elkaar geschud. Deze veroorzaakte een tsunami die, met golven van 10 m hoog, de nucleaire installaties van Fukushima onder water zette. Achtereenvolgens smolt de radioactieve kern van reactoren nr. 1, nr. 2 en nr. 3, waardoor massaal radioactiviteit vrijkwam. Tegelijkertijd werd het deactiveringsbassin van de stilgelegde Reactor nr. 4 niet langer gekoeld en kwamen er ook grote hoeveelheden radioactieve gassen vrij.
Dit is duidelijk een viervoudig zwaar ongeval dat moest worden ingedeeld op niveau 7 van de internationale schaal van zwaarte, zoals in Tsjernobyl in 1986.
De ramp in Fukushima is de derde waarschuwing aan een gedesoriënteerde mensheid
De menselijke en ecologische gevolgen van het ongeval in Fukushima zouden wel eens nog rampzaliger kunnen blijken dan die van Tsjernobyl.
Deze ramp was voorspelbaar: een ernstige waarschuwing was het ongeluk op Three Miles Island in 1979, in de Verenigde Staten, het land dat aan de wieg stond van de zogenaamde vreedzame nucleaire industrie.
Het feit dat de menselijke gevolgen van Three Miles Island beperkt waren, althans aan de oppervlakte, kan de illusie hebben bevorderd dat de betrokken nucleaire ingenieurs en wetenschappers voldoende beheersing van de technologie konden garanderen om ons in staat te stellen met kernenergie te leven.
De ramp van Tsjernobyl opende de ogen van vele politici, die moesten toegeven dat een zeer onwaarschijnlijke ramp mogelijk was.
De ramp in Fukushima is de derde waarschuwing voor een gedesoriënteerde mensheid. Het is niet duidelijk of dit voldoende is om « beleidsmakers » te overtuigen van de absolute noodzaak om af te stappen van dergelijke potentieel verwoestende energie.
Desinformatie is nog steeds levend en wel
Of het nu gaat om Three Miles Island, Tsjernobyl of nu Fukushima, de wens om het imago van de nucleaire industrie te beschermen heeft systematisch de overhand gekregen, zozeer zelfs dat de feiten werden verdraaid of achtergehouden, ten nadele van de betrokken bevolkingsgroepen.
In 1979 verwierpen Amerikaanse nucleaire veiligheidsfunctionarissen de mogelijkheid van een kernsmelting, hoewel die zich wel had voorgedaan.
Laten we in dit verband Philippe Jamet citeren, commissaris van het Franse nationale veiligheidsagentschap (ASN), die zich in 2006 in het tijdschrift « La Recherche » als volgt uitliet: « Als de veiligheidsinjectie niet werkt, zal het waterpeil in de tank verder dalen, de kern zal bloot komen te liggen, de splijtstof zal verhitten, de bekleding die haar beschermt zal wijd openscheuren en er zullen gassen en splijtingsproducten vrijkomen. Dit kan leiden tot het smelten van de reactorkern. Dit is wat er in 1979 gebeurde op Three Miles Island in de Verenigde Staten. Op dat moment geloofde niemand het. Pas zes jaar later kregen wij, dankzij een sonde die in het reactorvat werd gestuurd, het bewijs dat de kern inderdaad was gesmolten: je moet je magma voorstellen, lava bij 3000 graden. Het corium, het resultaat van de versmelting van de metalen in de kern en de uraniumbrandstof, was langs de zijkant naar beneden gestroomd en had de bodem van de tank bereikt. Het is niet door het schip gegaan, maar het was waarschijnlijk niet ver. De exploitanten van de centrale slaagden erin de kern op het laatste moment te redden door in een laat stadium water te injecteren. ».
Na 6 jaar desinformatie was het duidelijk nodig om, zeer discreet, verontrustende feiten te erkennen die de wanorde van deskundigen onthullen ten aanzien van onvoorziene gebeurtenissen en hun onwetendheid van potentiële catastrofale scenario’s.
In Tsjernobyl in 1986 hebben de Sovjetautoriteiten alles in het werk gesteld om de omvang van de ramp te verhullen en te voorkomen dat correcte informatie werd verspreid. De politici hebben de medische wereld opgedragen te ontkennen dat er een verband bestaat tussen bepaalde pathologieën en blootstelling aan straling, met name bij de 600.000 liquidateurs. Maar de internationale gemeenschap heeft zich bij deze situatie neergelegd.
In de loop der jaren hebben de agentschappen die belast zijn met risicobeoordeling en stralingsbescherming (IAEA, UNSCEAR, ICRP) de gevolgen van de ramp voor de gezondheid systematisch geminimaliseerd. Met name hebben zij geen rekening gehouden met het omvangrijke werk dat door Russische, Oekraïense en Wit-Russische wetenschappers is gepubliceerd.
Sinds 11 maart 2011, toen de aardbeving en de tsunami de kernreactoren van Fukushima buiten bedrijf stelden, is uit informatie van Tepco, de eigenaar van de centrale, het Japanse veiligheidsagentschap en de regering naar voren gekomen dat de situatie weliswaar ernstig was, maar dat de ramp nog steeds te voorkomen was. Het ongeval werd aanvankelijk beoordeeld op niveau 4 van de INES-schaal voor de ernst van nucleaire ongevallen, vervolgens op niveau 5 (zoals bij TMI), en werd uiteindelijk ingedeeld op niveau 7. De bevolking, die ten onrechte beveiligd was en in elk geval onwetend bleef over het werkelijke niveau van bestraling en besmetting, werd aldus blootgesteld aan radioactiviteit waartegen zij ten minste gedeeltelijk beschermd had kunnen worden. Vandaag worden de onderschatting van de risico’s, de illusie van grootschalige decontaminatie en de zogenaamde koude sluiting van de ongevalsreactoren gebruikt als achtergrond voor een door lobby’s georkestreerde campagne om kernenergie te rehabiliteren met de logische steun van de Japanse regering en het Internationaal Agentschap voor Kernenergie (IAEA).
In alle nucleaire landen, zoals het onze of ons Franse buurland, is het de officiële informatie uit Japan die getrouw wordt gerapporteerd en zelden in twijfel wordt getrokken.
Terwijl het Sovjetregime terecht werd beschuldigd van desinformatie, doofpotaffaires en leugens over Tsjernobyl, hebben de Japanse autoriteiten het sinds 11 maart 2011 objectief gezien niet beter gedaan …
Het is tijd om in te zien dat het gebruik van kernenergie structureel onverenigbaar is met transparantie en democratie.
Onmogelijke ongelukken?
De drie grote ongevallen in de geschiedenis van de civiele kernenergie hebben, hoewel zeer verschillend wat hun oorspronkelijke oorzaak en het betrokken reactortype betreft, één essentieel kenmerk gemeen: geen van de drie scenario’s die zich hebben voorgedaan, was voorzien of zelfs maar voorzien door nucleaire ingenieurs en officiële deskundigen.
Mentaal gevangen in hun techno-wetenschappelijke wereldbeeld, vertrouwden zij op de probabilistische methode om scenario’s te negeren die te onwaarschijnlijk werden geacht.
De fundamentele tekortkoming van een dergelijke benadering is de onverklaarbare veronderstelling dat alle mogelijke scenario’s zijn beoordeeld, wat uiteraard niet het geval is en ook praktisch onmogelijk is.
De stresstests die in Europa zijn uitgevoerd om de veiligheid van de reactoren na de ramp van Fukushima te « verifiëren », maken deel uit van dezelfde logica van totale controle. Ze zijn ongetwijfeld interessant omdat ze wijzen op gemakkelijk te genezen zwakke punten. Maar a fortiori wanneer zij de overweging van geloofwaardige hypothesen (vliegtuigongeluk of ongeval in een nabijgelegen risicofabriek) afwijzen, zijn zij vooral een rookgordijn om een tragische realiteit te camoufleren: kernenergie, of zij nu civiel of militair is, is intrinsiek een bron van humanitaire rampen. Alleen al om die reden moet de opwekking van kernenergie in de nabije toekomst definitief worden gediskwalificeerd. Het onaanvaardbare kan niet worden aanvaard.
« […] tussen de 20.000 en 30.000 lobbyisten vertegenwoordigen nu alleen al de belangen van het bedrijfsleven in Brussel, een kracht waartegen de overheid en de georganiseerde civiele samenleving over het algemeen niet in staat zijn doeltreffend op te treden […] »
Corporate Europe Observatory is een onderzoeks- en pleitbezorgingsorganisatie die in 1997 in Amsterdam is opgericht en sinds 2009 in Brussel is gevestigd. Zij bestudeert lobbyen door bedrijven op Europees niveau en de impact ervan op EU-besluiten en wetgeving. Het doel van deze column is u in het Frans een overzicht te geven van onze belangrijkste activiteiten, waarvan wij hopen dat het bijdraagt tot uw bezinning op de door Kaïros voorgestelde thema’s.
Hervorming van de financiële markten, hervorming van het EU-verdrag, internationale handelsovereenkomsten, energie- en klimaatbeleid, landbouw en biotechnologie, voedsel… Zoveel Europese beleidsterreinen zijn waarschijnlijk het doelwit van lobbying door het bedrijfsleven, zoveel onderwerpen waar commerciële argumenten worden aangevoerd onder de dekmantel van technische argumenten waarvan de politieke betekenis moeilijk te meten is. Inzicht in de algemene kwesties achter de specifieke argumenten, de bedrijfsstrategieën achter de slogans van gezond verstand: het bestuderen van en publiceren over bedrijfslobby’s vereist dat het onderliggende beleid en de zakelijke kwesties worden vertaald en gevolgd in termen die voor iedereen toegankelijk zijn. Dit is een taak waarvoor de pers en de media vaak niet meer de tijd hebben, of soms niet meer willen, doen.
We begonnen in 1997 met het boek Europe Inc. waarin werd verteld hoe de huidige EU-structuren het resultaat zijn van industriële druk[note] Maar dit werk heeft nog niets aan belang ingeboet: alleen al in Brussel vertegenwoordigen nu 20 à 30.000 lobbyisten commerciële belangen, een slagkracht waartegen de overheid en de georganiseerde civiele samenleving (vakbonden, verenigingen, enz.) over het algemeen niet doeltreffend kunnen optreden, omdat de verhouding tussen de middelen te groot is.
Het is ook een taak die de capaciteit van een organisatie van een tiental mensen ver te boven gaat. Daarom beperken wij ons bij OCE tot een beperkt aantal van alle mogelijke onderwerpen. Maar wij lobbyen ook om de regulering van het lobbyen op Europees niveau te versterken, om de transparantie ervan te vergroten en de uitoefening ervan in een regelgevend kader te plaatsen dat in verhouding staat tot het probleem en dat belangenconflicten, « regulatory capture » en meer in het algemeen het misbruik van Europese regels ten voordele van uitsluitend economische belangen kan voorkomen. Zo zijn wij momenteel bezig met het opsporen van gevallen van « draaideuren », een uitdrukking die wordt gebruikt om Europese ambtenaren aan te duiden die van werkgever veranderen om te lobbyen voor kwesties waarbij zij eerder betrokken waren, een tactiek die op grote schaal wordt toegepast[note].
Gezien de actualiteit en het belang van de vraagstukken waar het om gaat, is een belangrijk thema van onze recente publicaties het beheer van de economische crisis door de EU geweest. Verrassende aanwezigheid van bankiers op topontmoetingen van staatshoofden en regeringsleiders[note]verdragen waarbij een bezuinigingsbeleid wordt ingesteld dat een democratische en economische ramp is, maar waardoor de belangrijkste begunstigden van het beleid dat de crisis heeft veroorzaakt, de kosten van de crisis niet hoeven te betalen[note]versterking van de coördinatie op Europees niveau van het economisch beleid van de lidstaten, maar dan wel op basis van indicatoren die uitsluitend gebaseerd zijn op financiële kosten, en niet op levenskwaliteit of natuurbehoud[note]… Al deze reacties op de crisis weerspiegelen de huidige invloed van economische belangen, en de overheersing van politieke krachten die hen gunstig gezind zijn, op het Europese besluitvormingsapparaat. Welke antwoorden kunnen worden gegeven op wat een halve eeuw lang een ongekende aantasting van de politieke, economische en sociale rechten van de Europeanen lijkt te zijn, en op een dramatisch kortzichtig beleid op korte termijn? Welke analyses moeten er worden gemaakt, welk verzet moet er worden geboden, welke alternatieven moeten er worden voorgesteld ten aanzien van deze ontwikkelingen? Dit is de inhoud van de discussies die wij hopen te voeren tijdens de conferentie die wij mede-organiseren op 5 en 6 mei[note].
Terzelfder tijd zijn wij ons gaan interesseren voor een onderwerp dat misschien meer alledaags is, maar op het kruispunt van even belangrijke kwesties ligt: voeding. Het is de taak van een Europese instelling in Parma, Italië, om dit te reguleren: de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA). Deze administratie houdt zich bezig met levensmiddelen, maar ook, en dit is zeer strategisch voor de levensmiddelenindustrie, met de verschillende stoffen die ermee in contact komen: bestrijdingsmiddelen, levensmiddelenadditieven, enz. Wij hebben de resultaten van 8 maanden onderzoek samengevat in een onlangs gepubliceerd rapport[note]Het rapport documenteert de verschillende methoden waarmee de industrie erin slaagt de besluiten van deze administratie te beïnvloeden, met name door wetenschappers in bepaalde deskundigenpanels te laten benoemen die ook economische belangen in de sector hebben, of door via denktanks zoals het International Life Sciences Institute (ILSI) te bevorderen dat bepaalde methodologieën in plaats van andere worden gebruikt om de toxiciteit van de bestudeerde producten (met inbegrip van GGO’s) te beoordelen.
De belangstelling van de industrie voor het onderzoeksbeleid komt tot uiting in het huidige gemarchandeer rond het volgende EU-kaderprogramma voor onderzoek, Horizon 2020[note]maar wij zijn meer in het algemeen geïnteresseerd in het gebruik van deskundigen als vehikel voor de belangen van de industrie: de overheersing door de particuliere sector (banken, verzekeringsmaatschappijen, pensioenfondsen, enz.) van de deskundigengroepen die de Commissie adviseren over de hervorming van de financiële markten, bijvoorbeeld, is een bijzonder acuut voorbeeld van dit probleem[note]. Het is belangrijk in te zien dat de Europese instellingen (met name de Commissie en het Parlement) maar al te vaak niet over de nodige interne deskundigheid beschikken om over een probleem te beslissen, en dat het aanbieden van « gratis » deskundigheid aan deze besluitvormers in deze context een bevoorrechte manier is om bepaalde prioriteiten er eerder door te krijgen dan andere in een wetgevingstekst of een beleidsstrategiedocument[note]. Is dit de reden waarom de EU, een jaar na Fukushima, kernenergie nog steeds beschouwt als een optie die moet worden gesteund[note]?
Op een iets andere, en misschien positievere, manier onderzoeken wij soms ook alternatieven voor commercieel beheer. Dit was bijvoorbeeld het geval voor water, een onderwerp waartoe wij zijn gekomen door kritiek op het lobbyen van bedrijven in de sector; wij hebben zojuist, na twee jaar werk, een boek gepubliceerd[note] over de huidige wereldwijde trend om gemeentelijke waterdiensten weer in handen van de overheid te geven, de zogenaamde « hergemeentelijkisering ». De verschillende ervaringen die wij in dit boek hebben bestudeerd, belichten alle de mogelijkheden, maar ook de beperkingen van onze huidige denkwijzen toegepast op het beheer van een van de kostbaarste gemeenschappelijke goederen van allemaal. Veel plezier bij het lezen.
Het vakbondsspektakel wekt vaak de indruk van een onvoorwaardelijke verdediging van de werkgelegenheid ten koste van de natuur, de menselijke vrijheid en de sociale harmonie in haar geheel. Gevangen in beperkingen, die deels voortvloeien uit historische omstandigheden, wordt de arbeider vervolgens in zijn toestand bevestigd door degene die geacht wordt hem te vertegenwoordigen. Hoe kunnen we dan de verdediging van zijn rechten verzoenen met het verzekeren van een menswaardig bestaan, terwijl deze wereld duurzame vooruitzichten op lange termijn wordt geboden.
« Maurice, vergeet niet dat jij niet de enige bent die kan profiteren van de vruchten van deze buitengewone groei, er zijn ook medewerkers die daaraan hebben bijgedragen en die mogen we niet vergeten, want ook zij dragen bij aan de rijkdom van de groep. Dit is de boodschap die een werknemer van de groep Publicis, een « creatief », CGT verkozen ambtenaar en personeelsafgevaardigde, aan zijn baas, Maurice Levy, heeft gestuurd om hem – terecht – de astronomische bonus (16 miljoen) te verwijten die hij zojuist in zijn zak had gestoken[note]. Dit fragment, afkomstig uit een France Inter-programma dat op ironische toon gewijd is aan de kritiek op de hebzuchtige baas van de « com »-onderneming[note]Dit is een goede indicatie van de vorm die de vakbondsstrijd kan aannemen, die in dit geval, verre van een maatschappijmodel aan te vallen, slechts de wens uitdrukt dat de vruchten van de groei van het bedrijf beter worden verdeeld. Maar als de eisen van de werknemers werden ingewilligd, zouden we dan nog kunnen denken dat we nu in een fatsoenlijker, rechtvaardiger en egalitairder samenleving leven?
Men kan zich terecht afvragen hoe men uit dit onhoudbare maatschappijmodel kan geraken als het kwaad niet bij de wortel wordt aangepakt, als de kritiek niet radicaal is, in een systeem waarin de relatieve bevrediging van de eisen van de werknemers een toenemende productiviteit heeft vereist, die een mondiale arbeidsverdeling en een ongebreidelde concurrentie met zich meebrengt? Kan de strijd, zonder zich echt vragen te stellen over de zin van werk en door de natuurlijke grenzen van het extractivisme volledig te negeren, er paradoxaal genoeg niet toe bijdragen dat het systeem van uitbuiting blijft voortbestaan? Als een vakbondsman vecht voor het behoud van datgene wat onderdrukt en vervreemdt – de reclame-industrie – die de basis vormt van onze kapitalistische samenlevingen, alleen maar omwille van een loonsverhoging? Publicis, dat van reclame zijn kernactiviteit heeft gemaakt, behoudt een functie die inherent schadelijk blijft, zelfs met een eerlijker verdeling van de winst. Er is geen mogelijkheid tot veiligheid, zelfs niet met « tevreden » en « goed betaalde » werknemers. « Maar dat sluit niet uit dat we rekening moeten houden met de fundamenten waarop de reclame-industrie rust, die van een consumptiemaatschappij waarin het productiesysteem valse behoeften genereert die nodig zijn om de voortzetting van de productie te verzekeren, alle leefruimten koloniseert, landschappen denatureert, concurrentie, opzichtige vergelijking, merkzucht en het gevoel van gemis vanaf de jongste leeftijd invoert, en alles ondergeschikt maakt aan zijn ultieme project: alle leefruimten tot handelswaar maken[note].
Onder het voorwendsel dat zij de arbeider – de « proletariër » – niet van zich willen vervreemden, stellen de « linkse strijders » daarom de afbraak van het systeem voor onbepaalde tijd uit en stellen zij strijd voor die op zichzelf de vervreemding bestendigt. Moet je alleen vechten voor je baan (« Touche pas à mon job ») of voor loonsverhoging als je salaris afkomstig is uit de reclame- of auto-industrie, de petrochemische industrie of de wapenindustrie? Wie zo denkt, zoals François Partant zei, « zonder het te beseffen, [ils] zijn dus de beste verdedigers van het kapitalistische systeem »[note]. De vraag wat er wordt geproduceerd, hoe, voor wie, en hoe duurzaam deze productie is, wordt uit de weg gegaan: de arbeider, die verstrikt is in een consumptiemaatschappij, die vaak schulden heeft voor zijn huis, zijn auto, zijn vakantie en de verschillende goederen die door de reclame worden aangeprezen, die de schoolkosten van zijn kinderen moet betalen, die elke dag moet eten… de arbeider is dus in het nauw gedreven en heeft geen echte keuze meer. Dus laten we duidelijk zijn: hij is zowel een slachtoffer als verantwoordelijk voor zijn situatie.
Voor velen die beweren deel uit te maken van « radicaal links » en de vakbondsstrijd, is de strijd om banen een « noodzakelijke doorgang ». Daarbij rechtvaardigen deze voorstanders van de « loonstrategie » vaak de instandhouding van een activiteit door paradoxaal genoeg hun toevlucht te nemen tot dezelfde « globalistische » dictaten die worden gebruikt door degenen die zij verafschuwen en bekritiseren – de grote bazen, de aandeelhouders, de politici, enz. Zo reageerde een Franse journalist op een kritiek van Pièces et Main-d’œuvre[note] die hem verweet de « Franse kanker » te verdedigen in een radioreportage, nam het beroemde refrein « als ik het niet ben, is het de ander wel » over, dat de leiders graag gebruiken om niet te veranderen, terwijl ze ons blijven doen geloven dat ze alles veranderen:
« Maar als deze tien fabrieken eindelijk zouden sluiten, wat zouden dan de gevolgen zijn? Milieubescherming? Minder vervuiling? Een einde aan kanker – zoals u beweert? Ik betwijfel het. We zullen waarschijnlijk een eenvoudige « verplaatsing van activiteiten » zien, zoals in zoveel andere sectoren, zoals leerlooierijen en de recycling van computerafval, en deze industrie zal haar toevlucht zoeken in meer clemente klimaten voor giftig afval, in China of elders.
Het gaat er dus om radicale veranderingen uit te stellen onder het voorwendsel dat een heroverweging van bepaalde produktietypen zou leiden tot de verplaatsing ervan naar veel slechtere oorden, terwijl aandeelhouders en bedrijfsdirecteuren spelen met sociale en milieudumping om de meest geschikte plaats voor hun winst te kiezen. Wanneer wij het absurde en onfatsoenlijke aan de kaak stellen dat een wapenfabriek (La Fabrique Nationale de Herstal, bijvoorbeeld) in stand wordt gehouden in naam van de werkgelegenheid, antwoorden de demonstranten van de werkgeversorde, die weigeren te erkennen dat zij soms aan dezelfde willekeurige regels gehoorzamen, met inbegrip van die van de concurrentie en de groei van de winstvoet, precies hetzelfde: « als wij het niet zijn, doen zij het ergens anders wel ». Ongetwijfeld… maar in het uiterste geval zullen de pooiers in de bordelen van Jakarta en Sjanghai, die kinderen gebruiken om de seksuele lusten van hun rijke klanten te bevredigen, hetzelfde antwoord kunnen geven, het antwoord dat verhindert dat de vraag naar de waarden, de impact en de zin van het werk dat men doet, wordt gesteld? Kunnen wij auto’s, wapens en kernkoppen blijven produceren met als enig argument dat anderen dat ook zullen doen als wij ermee ophouden? Tot wanneer dan? En wie stopt er als eerste? Dit zal sommige mensen natuurlijk schokken, maar het is essentieel om de vraag te stellen?
Het staat echter vast dat de vakbonden, door de bestaande orde te bestendigen en de vervreemding strijdbaar te voeden, gemakkelijker de gunst van de arbeiders zullen kunnen winnen. Een grotere koopkracht en een onvoorwaardelijke verdediging van de arbeidsplaatsen zijn aantrekkelijker dan een strijd waarbij fundamenteel in vraag wordt gesteld wat de arbeider produceert en waarom. Vakbondsbeloften zijn des te verleidelijker wanneer het werk de consumptie mogelijk maakt van goederen die het werk in een consumptiemaatschappij rechtvaardigen. En aangezien deze strijd vaak » komt voort uit een manicheïstische visie op de maatschappij, die verdeeld zou zijn in goeden en slechten, waarbij alleen de eersten (de arbeiders) legitieme belangen en gezonde aspiraties zouden hebben, die bevredigd zouden kunnen worden als de slechten zich niet tegen hen zouden verzetten « .[note]In de eerste plaats zal iedereen die kritiek heeft op het productivisme waarschijnlijk als « slecht » worden beschouwd, zoals de baas die « inkrimpt ». Men zou hierop kunnen antwoorden dat dit een kleinburgerlijk intellectueel standpunt is van iemand die het zich kan veroorloven zo te denken, omdat hij ver verwijderd is van de benarde toestand van de arbeidersklasse. Dit moet, zonder twijfel, soms waar zijn. Maar deze kritiek onder het tapijt vegen zou betekenen te weigeren in te zien dat achter de tegenstelling arbeider/manager soms de verdediging van gemeenschappelijke waarden schuilgaat, maar ook de arbeider te beschouwen als een wezen wiens enige belang de onvoorwaardelijke verdediging van zijn baan en zijn koopkracht is, en uiteindelijk achter de arbeider, de werknemer, de arbeider slechts een… arbeider te zien, waar zich in de eerste plaats een mens bevindt.
Gelukkig zijn er voorbeelden die deze vaste kijk op de werknemer tegenspreken. In Taranto, Italië, vochten bewoners en arbeiders tegen hun bedrijf, met als argument dat hun leven meer waard was dan hun baan. Om dit te doen, moesten zij zich verzetten tegen de » De vakbondscentrales – CGIL, CISL, UIL – [qui] heulen met de baas, Riva, de op twee na grootste staalproducent van Europa. Samen verdedigen zij hun doodsmachine tegen het besluit van de rechter om deze op 26 juli 2012 te sekwestreren om redenen van volksgezondheid « [note].
In Seraing, België, daarentegen, gaven sommige verklaringen van werknemers van Arcelor Mital onomwonden uitdrukking aan de dwingende prioriteit die aan de werkgelegenheid wordt gegeven, verdedigd ten koste van de instrumentalisering van de natuur:
» Het lijkt voorshands duidelijk dat de directie de cokesfabriek van Seraing wil behouden. Dit kan industrieel gezien een merkwaardig voornemen lijken, want zonder hoogoven zou er geen behoefte zijn aan deze infrastructuur. Achteraf gezien zou deze beroemde cokesfabriek zelfs een middel kunnen worden om druk uit te oefenen op de multinational. Hoe? In hoofdzaak omdat een cokesfabriek een uiterst vervuilend instrument is (het is de plaats waar de steenkool door pyrolyse wordt gereinigd alvorens samen met het ijzererts te worden gestookt). Er komen gassen vrij met teer, naftaleen, ammoniak en zwavel. Vandaar de moeilijkheid om een vergunning te krijgen voor de exploitatie van een cokesfabriek « [note]…
Vechten voor het voortbestaan van de activiteit van Arcelor Mital, Publicis of La Fabrique Nationale de Herstal, is in zekere zin vechten tegen zichzelf, het is kiezen tussen leven of werken. De loonstrijd zoals die vandaag meestal gestalte krijgt, is ontoereikend en maakt paradoxaal genoeg deel uit van hetzelfde samenlevingsmodel dat zij beweren te bekritiseren. Om dit te veranderen zal de orde zelf van de produktie moeten worden aangevallen, met name door te strijden voor een fatsoenlijk onvoorwaardelijk inkomen na verlies van een baan in dienst van de onfatsoenlijke produktie.
Een samenlevingsproject dat rekening houdt met de dimensies mens en natuur moet dus noodzakelijkerwijs een herbezinning inhouden op de betekenis die aan arbeid moet worden gegeven en een duidelijke confrontatie met het kortetermijn- en produktivistische vakbondsdogma. Omdat radicale strijd altijd wordt uitgesteld tot later, kunnen vakbondsstandpunten voor onbepaalde tijd uitlopen op een onmiddellijke reflexverdediging, waarbij de keuzes paradoxaal genoeg worden gemaakt door degene wiens beslissingen we dachten te dwarsbomen: de baas. Een of andere geografische entiteit zal het initiatief moeten nemen; erkennen dat zonder navolging, zonder een voortrekker, geen verandering kan plaatsvinden. En het is te geloven, en te hopen, dat het eerste het tweede zal aanmoedigen. Er valt immers veel te winnen bij een eenvoudiger, gezonder en solidairder samenleving, in harmonie met de natuur, waarin we niet langer leven om te werken en te consumeren, maar werken om te leven.
Een reactie van Francis Leboutte, burgerlijk ingenieur, op de recente berichtgeving in de media over de uitbreiding van de centrale van Tihange
Reportage op RTL.be (10 november 2015): een voormalig ingenieur van Tihange luidt de noodklok: « Uitbreiding van de centrales is misdadig ». « Volgens een voormalig ingenieur die in de jaren zeventig betrokken was bij de bouw van de kerncentrale van Tihange, was de centrale ontworpen om 40 jaar mee te gaan en brengt zij nu risico’s met zich mee. Hij sprak met onze collega’s van Soir Mag en een van onze teams. » (Lees meer en bekijk het videoverslag hier: http://www.rtl.be/info/belgique/societe/un-ancien-ingenieur-de-tihange-tire-la-sonnette-d-alarme-prolonger-les-centrales-c-est-criminel–769633.aspx).
Na het lezen van de commentaren op de website RTL.be, die verrassend genoeg in twee aparte tabbladen worden gepresenteerd, het eerste « RTL », het tweede « Facebook », kreeg ik zin om mijn eigen commentaar toe te voegen, nogal geïrriteerd door de gebruikelijke opmerkingen over de noodzakelijke en onmisbare « competentie » van iedereen, inclusief die van de ingenieurs van Electrabel:
« Je hoeft geen ingenieur te zijn om te begrijpen dat niemand de nucleaire techniek echt beheerst en geen controle heeft over de mogelijkheid van een groot ongeluk in Tihange of elders (voor de sceptici: merk op dat het een civiel ingenieur is die u dit vertelt). Hoe ouder een reactor bijvoorbeeld wordt, hoe kwetsbaarder de onderdelen ervan worden en hoe groter de kans dat zij het begeven, vooral de onderdelen die worden blootgesteld aan het intense neutronenbombardement dat door de splijtstofstaven wordt uitgezonden. Een deel van deze apparatuur, zoals het reactorvat, is niet vervangbaar en we kunnen niet met zekerheid vaststellen in welke staat het verkeert… Zonder een combinatie van militaire en financiële belangen, die voorrang kregen op politiek en democratie, zou de opwekking van kernenergie nooit tot stand zijn gekomen« .
Lees er meer over:
Laponche Bernard, Dessus Benjamin. Een einde maken aan kernenergie – Waarom en hoe. Éditions du Seuil, 176 p. (geschreven door twee ingenieurs).
Collectief van de Utopia beweging. Kernenergie: misvattingen en exit-scenario’s. Editions Utopia, 2011 (een klein, goed gemaakt en niet duur boekje – €4).
Een van de vele boeken over dit onderwerp:
Dit artikel heb ik over het onderwerp geschreven: http://liege.mpoc.be/doc/energie/nucleaire/-articles/Leboutte-Francis_mpOC_Nucleaire-TechniqueContreNature_mars2013.pdf)
Het tijdschrift Kairos (het huidige en volgende nummer bevatten een dossier over kernenergie – https://new.kairospresse.be)
Delfour Jean-Jacques. De nucleaire conditie. Reflecties over de atomische situatie van de mensheid. L’échappée, 2014, 296 p. (geschreven door een filosoof).
De organisatie van de commentaren van de lezers op de website RTL.be doet me denken dat de evolutie van deze online pers echt klote is. Om een reactie te plaatsen, moet je je eerst registreren volgens een van de volgende twee mogelijkheden: ofwel via een Facebook-account (!), ofwel via een Media ID-account (?). Omdat ik niet op Facebook zit en dat ook niet wil, heb ik dus een Media ID-account geopend. Media ID is een Belgisch iets dat een duister doel dient: op de website van Media ID staat te lezen dat dit « initiatief werd gelanceerd door grote Belgische mediabedrijven. De aandeelhouders (november 2014) zijn L’Avenir, De Persgroep, Mediafin, Mediahuis, Rossel, Roularta, Sanoma, IPM, RTL en VRT. « Om deze Media ID-account te openen, moet je naast je e-mailadres ook je postadres en je geboortedatum opgeven, maar tot die tijd staat niets in de weg om een vals adres en een valse datum op te geven…
De redactie van Charlie-Hebdo wordt afgeslacht, criminele staatshoofden verzamelen zich aan het hoofd van de autocolonne in Parijs om de vrijheid van meningsuiting te verdedigen; Christine Lagarde, wier salaris als hoofd van het IMF meer dan 30.000 euro per maand bedraagt[note] hield een toespraak in Brussel op de Grandes Conférences Catholiques, en de krant La Libre, een partner van de manifestatie, citeerde zijn cynische en bedrieglijk filantropische opmerkingen: » Je hoeft niet altruïstisch te zijn om beleid te steunen dat de inkomens van de armen en de middenklasse zal verhogen. Het is een win-winsituatie, aangezien deze beleidsmaatregelen van essentieel belang zijn om een sterkere, meer inclusieve en duurzamere economische groei mogelijk te maken « Degenen die zich hebben verzet tegen de bevelen van de Commissie en de aasgieren van het IMF en de Wereldbank in Griekenland, worden door Jean-Claude Juncker en zijn kliek gegeseld. Degene die de les leest is de voormalige premier van Luxemburg, een berucht belastingparadijs, wiens verantwoordelijkheden in de Luxleaks meer dan onduidelijk zijn, en die zal worden bedankt door in 2014 voorzitter van de Commissie te worden; Freddy Thielemans probeert de bevolking te overtuigen van de voordelen van het nieuwe mega-winkelcentrum Neo op de Heizel… en verlaat zijn mandaat als burgemeester om te genieten van de… financiële voordelen als secretaris-generaal van het Brussels Tentoonstellingscentrum[note].
Verdediging van de vrije meningsuiting tegen de censoren, bevordering van gelijkheid in dienst van ongelijkheid, morele vermaning van een lakei van de roofbankiers, particuliere troonsbestijging georkestreerd vanuit het publiek. Zoek naar de fout!… die is er niet. Deze enkele voorbeelden zijn slechts een illustratie van de onaanvaardbare en aanvaarde arrogantie, waarvan de herauten er zeker van zijn dat de onfatsoenlijke tegenstrijdigheden van hun demonstraties en hun woorden zullen zwijgen, zozeer zelfs dat de massamedia zich bezighouden met het beschrijven van hun gesticulaties zonder ze ooit met elkaar in verband te brengen en ons te verlichten over hun inzet. Alleen al hun status verleent hen hun prestige en onaanraakbaarheid. Maar als ze aanvaard worden, is dat ook omdat onze hersenen daarop voorbereid zijn en omdat we een hele manier van denken over de wereld hebben die deze tegenstellingen onzichtbaar voor ons maakt: weinig verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld, voor armoede wanneer volgens de mythe de enige inspanning toegang tot rijkdom zou geven; geen opstand, of zo weinig, wanneer ons verteld wordt dat een Belgische voetballer 330.000 euro per vijfdaagse week verdient, dat wil zeggen 66.000 euro per dag, dat is 8.250 euro per uur als we werkdagen van acht uur rekenen. Maar velen houden hun ogen nog steeds gericht op het scherm met de laatste wedstrijd. Normaal als de norm de afwezigheid van grenzen is. Het hoogste onfatsoen is dat men het niet eens meer ziet, en dus geen reden meer vindt om verontwaardigd te zijn.
Wat door sommigen als tegenstrijdigheden wordt opgevat, zijn echter niet de pathologische manifestaties van een gezond lichaam, maar veeleer de tekenen van de normale werking van een destructief systeem waarin sommigen strijden om hun voordelen te behouden terwijl zij blijven doen alsof zij voor het algemeen welzijn werken. Moraliteit in deze show is een spel.
Barbaarsheid komt niet, het is aanwezig en wordt steeds beter. En voortdurende onverschilligheid en acceptatie voorspelt weinig goeds. Het goede westerse denken zal altijd barbaarsheid oproepen bij de ander, hem als een monster zien en hem op zijn beurt het beeld zenden van een moderne en ontwikkelde maatschappij die de « wilden » zouden moeten imiteren. Toch is het het Westen dat het monopolie heeft op terrorisme, plunderen en moorden om een « niet-onderhandelbare » manier van leven in stand te houden.
De ander voortdurend de schuld geven, in hem de « barbaar » zien, is stilzwijgend onze positie als menselijk en verkieslijk definiëren; het is altijd weigeren te zien hoe de situatie van de ander zich tot de onze verhoudt.
Terwijl François Bellot, de nieuwe minister van Mobiliteit, de spoorwegarbeiders na het stakingsbesluit vraagt « om deze beweging, die gebruikers in de val lokt, te stoppen », antwoorden wij dat de De« sociale dialoog » werkt niet meer, omdat hij altijd in het voordeel is van de werkgevers en de staat die hun dienaar is. Wij voegen daaraan toe dat de gebruikers niet« in de val zitten », maar begrip moeten hebben voor de woede van degenen die hen elke dag per trein vervoeren. Laten we het spel van de politici en de media-industrie niet meespelen, maar laten we uiteindelijk de staking steunen.
In een vorige Kairos (juni 2015) ontmoetten we een treinbegeleider die ons vertelde over zijn erbarmelijke werkomstandigheden. Bellot en zijn kliek horen ze liever niet, laten ze langzaam sterven, tot de privatisering waar ze op wachten… Wij zeggen tegen de spoorwegarbeiders dat zij niet meer bang hoeven te zijn, en tegen degenen die de trein nemen dat zij de woede van hun « collega » moeten begrijpen. Echte eenheid schrikt de machthebbers af. Laten we hem bang maken!
Kairos: Hoe lang werkt u al voor de NMBS?
Anoniem: « min of meer twintig jaar. »
En je begon als een…
« Aanvankelijk was het een controller, daarna werd het een begeleider. Controleur klonk een beetje te veel als controleur, Gestapo, daarom hebben ze de term een beetje veranderd ; het uniform was oorspronkelijk marineblauw terwijl het nu echt steward is. »
En, vond je het leuk?
« Nou, ik vond het werk leuk en ik vind het nog steeds leuk, maar het is de verandering… je voelt echt de scheiding tussen twee bedrijven, met de twee infrastructuren, met Infrabel en de NMBS. »
Kunt u uitleggen hoe u dit in 20 jaar heeft zien ontwikkelen?
« In het begin waren de twee bedrijven één, dus voor aansluitingen, bijvoorbeeld, belden we het station en zij regelden de aansluitingen, maar nu moeten we via een centraal kantoor gaan en het is het centrale kantoor daarboven dat beslist. Nu moet je door een centraal kantoor en het is het kantoor boven je dat beslist. Gedurende enkele seconden weigeren ze een verbinding te maken. Ik heb de indruk dat er geen echte klantendienst meer is, er wordt gefactureerd tussen NMBS en Infrabel waarbij de ene de andere de vertragingen aanrekent, het is een oorlog. »
Kunt u uitleggen voor degenen die het verschil tussen de twee structuren niet kennen?
Infrabel is alles wat met de infrastructuur te maken heeft, de sporen dus, en NMBS is eigenlijk alles wat met het loket en de trein te maken heeft, het contact met de klant. »
En als er bijvoorbeeld een vertragingsprobleem is, zijn er dan de twee structuren die onafhankelijk zijn, maar toch moeten communiceren?
« Ja, dat is het. Wij bellen een centrale, RDV genaamd, die doorverbindt naar Traffic Control, dat is Infrabel, en Infrabel beslist of wij al dan niet de verbindingen tot stand brengen. »
En dus sinds de scheiding…
« Vroeger probeerden we alles te doen om ervoor te zorgen dat de klant zijn trein kreeg, maar nu zeggen ze graag ‘kijk, de klant zal een uur wachten, en het doel van de trein is op tijd te zijn, en het is een kwestie van facturering van de ene maatschappij naar de andere’. »
En wie heeft besloten wat u mij laatst in de trein uitlegde, om treinen langer te laten wachten op stations?
« Bij de grote werken besloot men, aangezien de klachten van de reizigers betrekking hadden op vertragingen en niet op de lengte van de reis, de treinreizen iets te verlengen, zodat de treinen overigens op tijd waren. »
Maar duurt het langer?
« Het duurt langer. Namen-Brussel duurde vroeger een uur, nu bijna een uur en twintig minuten. In het begin was het voor de werken, maar nu zijn er geen werken meer en het is niet veranderd, maar ze hebben het zo gelaten er is geen rood meer op het bord, maar de reis is langer… »
Dus in concrete termen, de trein vertrekt op hetzelfde moment maar…
« …het komt later. »
En het blijft langer in de stations?
« Als het goed gaat, wachten we soms 5, 6, 7 minuten in een station voor we verder gaan. »
Hebben ze de reizigers hiervoor gewaarschuwd?
« Ze zeiden dat ze de dienstregeling zouden veranderen. Er was veel werk, dus verlengden zij de dienstregeling om de vertraging als gevolg van de werkzaamheden te compenseren, maar het werk is niet gedaan, wordt niet meer gedaan of is gedaan en zij hebben de dienstregeling niet ingekort, omdat de staat financiële compensatie geeft aan de spoorwegen naargelang de treinen op tijd rijden. »
En dus in twintig jaar, afgezien van deze splitsing, wat heb je gezien?
« Wat de klanten betreft, is er meer agressiviteit van de kant van de reizigers. We zien dat we op weg zijn naar een andere generatie, een andere mentaliteit van mensen. We zien echt dat jonge mensen in conflict komen en voor niets proberen te beginnen. »
« We kunnen niet praten over het spoor, het is de communicatie manager… en we kunnen niets zeggen »
En zijn er niet dingen die gedaan worden om agressie op te wekken, zoals de 7 euro toeslag in de trein? Zijn er geen apparaten die iets van de menselijkheid in het rapport wegnemen?
« Het is vooral voor oudere mensen, ze moeten zich aanpassen aan machines, aan computers. Vroeger, toen een automaat uitviel, werd de toeslag van 7 euro gedeactiveerd in onze automaat (noot van de redacteur: draagbaar, in de trein). Alleen hebben zij dit (noot van de redacteur: de automatische betaalterminals in de stations) ingevoerd voordat wij de nieuwe machine hadden, die wij over ongeveer een jaar zullen hebben. Dus moeten we een jaar lang de betaling oefenen, zodat de mensen naar de machine gaan – die alleen werkt met een bankkaart of munten -, die de loketten vervangt Ze hebben machines in de stations geplaatst om de mensen te dwingen een kaartje te hebben voordat ze binnenkomen en niet om de kaartjescontroleur te dwingen mensen op te jagen. Maar hier is het probleem dat wanneer het loket buiten werking is, in onze automaat de 7 euro toeslag er altijd in zit, zodat wij de persoon moeten dwingen ons te betalen, ook al is het een fout van het NMBS loket. ze moeten ons de ritprijs plus de 7 euro betalen… »
Dus een reis van 3 euro, zij betalen 10.
« Ja, dat is het. Als het loket buiten werking is, moeten zij naar een station gaan, een formulier invullen met alle terugbetalingsgegevens en krijgen zij hun geld binnen 2-3 weken terug. Dit systeem is niet geperfectioneerd. Ik heb een voorbeeld van een collega die een jongere had die naar ****** ging.[note]De moeder gaf hem een kaartje van 20 euro om in het weekend de trein te nemen en naar de bioscoop te gaan. De jongeman komt aan op het station met een kaartje van 20 euro, hij gaat naar de kaartjesautomaat, het is niet goed, geen kaartje. Dus wat doet hij, hij stapt in de trein, vraagt de collega om een weekendkaartje ******-Namur, en de collega zegt: « Ik ben genaaid, er is zeven euro meer in de trein ». De collega weet niet wat hij moet doen, het zit in de prijs, hij kan niet eens zeggen « ik ga Florée gebruiken, ik ga Courrière gebruiken ». (Opmerking van de redacteur: dichter bij de stations en dus met lagere tarieven dan in Namen), is het overal zeven euro. Dus wat deed de collega, hij betaalde 7 euro plus vijf, dat is 13 euro: niet genoeg geld om naar de bioscoop te gaan, dus ging hij naar Namen, hij ging een wandeling maken. »
Maar het creëert nog steeds een andere relatie met de gebruiker?
« Het geeft problemen, ja. »
Er is geen mogelijkheid meer om rekening te houden met de context, zoals iemand die te laat komt voor zijn trein, die aankomt na…
« Degene die op de trein stapt en degene die zich in het toilet gaat verstoppen, het is dezelfde prijs. »
En wat betreft de tijdschema’s, zijn er veranderingen?
« Ze hebben, en dat is ook met het nieuwe vervoersplan en de bezuinigingsmaatregelen, de « lage bezettingsgraad » treinen afgeschaft, dus de treinen ‘s avonds laat of heel vroeg in de ochtend… het waren eerder postbodes die naar hun werk gingen, dus deze mensen hebben niet meer de mogelijkheid… »
Wat moeten ze dan doen?
« Pff… dat is het, nou… ze moeten zich maar redden. Ze hebben de treinen zeer vroeg en zeer laat in de nacht geannuleerd. Dus mensen die naar de bioscoop willen, ik neem een dom voorbeeld zoals degene die de trein neemt van Namen naar ****** : vroeger vertrok de laatste omnibus die van Namen naar ****** reed om 22.20 uur, dus de mensen wisten dat ze naar de voorstelling van 20.00 uur in Namen moesten gaan en stapten om 22.00 uur uit, nou nu is de laatste trein om 20.00 uur. Mensen die in kleine steden wonen, kunnen dus niet meer naar de bioscoop, of ze moeten in de grote stations op de trein stappen; het lijkt erop dat de mensen in de dorpen een beetje tekort worden gedaan. »
En ze hebben stations verwijderd?
« Ze hebben minder bezuinigd dan was gepland. Het is vooral het aantal treinen… »
Ik heb de indruk dat ze zich richten op de grote punten?
« Het is duidelijk dat ze toenemen in de grote centra ; Ik heb de indruk dat ze echt mensen terug willen brengen met de auto naar de grote centra om treinen, vol met mensen… het is… zaken eh! »
Wie besliste over deze zakenplannen?
« De regering zit er een beetje in, de directie… ik weet het niet. »
Wie is de baas?
« Thuis is het Cornu. »
Van wie komt dat?
« Hij is iemand die daar door de regering is neergezet. »
Heb je de indruk dat hij dit doet als een openbare dienst?
« Niet echt, nee. Het is meer een liberaal ding. Ze willen het bedrijf liberaliseren in 2017, dus ze willen de deur openzetten voor de privésector, dus daarom hebben ze de twee bedrijven behouden, zodat de privésector op Belgisch grondgebied komt rijden, en het privébedrijf de exploitatierechten op de Infrabel-sporen moet betalen. Het is een soort spoorverhuur. Dus, ik weet niet waar we heen gaan in 2017, we zullen zien. We weten niet met welke saus we gegeten zullen worden. »
Heb je meer informatie dan de gemiddelde persoon die zomaar de trein neemt?
« Wij worden nergens over geïnformeerd, vaak is het de reiziger die ons informeert over bepaalde stakingen en andere zaken waar ik niet eens van op de hoogte ben. »
En in termen van vakantie, kwaliteit van het werk, wat is er veranderd?
« In elk depot zijn er veel mensen die met pensioen zijn gegaan, die niet zijn vervangen, en dus is er een tekort aan agenten in elk depot. Maar de treinen rijden nog steeds, wat betekent dat wanneer wij in reserve zijn, dus gedurende 3 of 4 weken elke x keer zes dagen achter elkaar, één dag thuis, 7 dagen achter elkaar, één dag thuis doen. Het is niet zoals iemand in een kantoor, ze komen niet binnen, het is OK, het verandert niets in het leven Als we niet komen, rijdt de trein niet, we zitten een beetje vast op dit niveau. We kunnen niets plannen, we moeten twee of drie maanden op voorhand verlof vragen om zeker te zijn dat we het krijgen. »
En wat is er veranderd in wat jou is verteld als je werk?
« Hier is nu alles gebaseerd op veiligheid. Dus ticketcontrole is secundair, het is veiligheid, veiligheid, veiligheid Om ongelukken te voorkomen, gaat het om de veiligheid, de ontvangst van de klanten, de informatie van de klanten, en komt de controle op de laatste plaats. Daarom hebben zij controlebrigades opgericht, het beroemde Ticoteam, die naar 3-4 gaan en alles controleren. »
Denkt u niet dat men ze soms failliet wil laten gaan, zodat ze door de particuliere sector kunnen worden overgenomen?
« Soms denk ik dat ze het expres doen. Ik heb collega’s die bij Sabena zaten, die elkaar 10 jaar geleden weer ontmoeten. Ze doen van alles… investeringen terwijl wij in de schulden zitten: de beroemde automaten die veel geld kosten, de beroemde stations, het station van Mons, Luik, waarom zo’n enorme puinhoop, het is niet nuttig. Daarnaast zijn er stations zoals Namur waar overal water loopt, en er zijn stations waar de perrons eruit zien als verkeersdrempels. Ze nemen absurde beslissingen.
Wat de automaat betreft (noot van de redacteur: de geldautomaat), dat is iets wat ik me persoonlijk afvraag: eindelijk, deze automaat, hoeveel heeft hij gekost, met al het systeem…, de computerspecialisten die hem moeten beheren als hij kapot gaat en om de x tijd, het geld dat erin is gestopt – de bak vult zich met munten -, dus als hij vol is, kunnen de mensen niet meer met munten betalen, dus moet Sécuritas hem legen. Alles wordt nu door de privésector gedaan bij de spoorwegen: de schoonmakers, zij die het station in Namen schoonmaken, het is privé, alles wordt privé Zelfs onze loonfiches, vroeger was het het hoofdkantoor in Bergen dat de doos met de loonfiches in de trein zette, het kwam aan in Namen, de lader in Namen nam het mee en deponeerde het in het depot. Het kostte niets… nu is het het postkantoor. Zo kregen we onze loonfiches een week te laat en kwamen we erachter dat onze post in Gent lag in plaats van rechtstreeks in Charleroi. Aan de ene kant wordt ons gevraagd inspanningen te leveren, de touwtjes in handen te hebben om geld binnen te halen, en aan de andere kant wordt ons gevraagd geld uit te geven aan onzin Ik weet niet wat er onder zit, maar ik vind het belachelijk. Ik weet niet wat er onder zit, maar ik vind het belachelijk. Het is allemaal hetzelfde, en de collega’s die zeggen « waarom werken we ons hier uit de naad, als we de verspilling zien, de rotzooi die ze doen, het is beangstigend ». Ik hoorde net twee dagen geleden weer dat Cornu zei dat ze de prijs van de kaartjes moesten verhogen om het gat te vullen. Soms… dat is het! Pfff… Ik begrijp het niet, ik begrijp het niet. Er zijn ook steeds meer bazen, vroeger was er een baas, nu zijn er managers met vaardigheden, managers hier, managers daar en als je vraagt wat ze doen weten ze niet wat ze doen! Er zijn veel opperhoofden en niemand op de grond. En je voelt een gevoel van frustratie onder de collega’s, velen van hen willen weg, ze stoppen omdat ze het gevoel hebben dat we recht tegen de muur ingaan. »
Ze zijn het een beetje zat wat je zegt, ze vinden het niet leuk meer?
« Wij bellen het hoofdkantoor voor een aansluiting, zij zeggen ons « ok, de aansluiting is verzekerd », wij doen een aankondiging aan de passagiers en dan komen zij aan op het perron en de trein passeert onder hun neus. »
Dus dit creëert een conflict tussen u en de reizigers.
« We zien eruit als idioten, en dan worden ze boos en zijn wij het die in de frontlinie staan. Soms is het andersom, we bellen, « nee, luister, er is geen verbinding, ze moeten de volgende nemen », en we komen aan en de trein is er! We zetten onszelf voor schut. Er is geen zekerheid. Hoe meer tussenpersonen er zijn, hoe minder de zaak gaat. Vroeger belden we naar het station van Brussel, Charleroi, we wisten dat de trein daar was ; nu bellen we daar, die daar belt… en het duurt tien minuten om de informatie te krijgen en uiteindelijk is de informatie niet goed. »
Ik heb de indruk dat de menselijke factor steeds meer wordt gereduceerd.
« Het is net als in de postkantoren, het is overal. Nu bij Delhaize is het automatische betalingen, het is algemeen… Ik denk dat we terug zijn gegaan naar de Middeleeuwen: zeer rijke mensen en al de rest is ellende. In alle bedrijven, willen ze het personeel liquideren. »
Interview door Alexandre Penasse Het feit dat onze gesprekspartner weigerde Het onthullen van je identiteit, met het risico van professionele represailles, zegt veel over de eindeloze « vrijheid van meningsuiting » waar de media en politici de mond van vol hebben, waarbij ze vergeten te vermelden dat sommige mensen bang zijn om de waarheid te vertellen in onze « vrije » samenlevingen. Kairos wil een stem geven aan al deze anonieme mensen.
Vrijheid van meningsuiting ?
Anoniem : » Nou, ik reken op jullie, ik kom praten, want er zijn collega’s die bijna zijn ontslagen omdat ze met de pers praatten. Het enige waar ik om geef is dat ik geen zorgen heb.
K. Nee, we zijn gebonden door het geheim van bronnen. Heb je een idee voor een bijnaam, of verzin ik iets op ?
A. : een pseudoniem is vereist ?
K. : Ik kan » anoniem » zetten, of Alain Connu. (lacht)
A. Je moet weten dat ze mensen in dienst hebben genomen wiens hele dagtaak het is om op Facebook te gaan zoeken wat collega’s negatief over de NMBS zouden kunnen plaatsen, en de collega’s worden neergeschoten. ! Hun enige taak is het opsporen van de informatie die collega’s op Facebook zetten. Er was een collega ****** die zei » zat met deze trein ******, niets dan problemen « , ze werd gebeld door de chef » luister, je facebook commentaar… » . We kunnen niet over de spoorweg praten, het is de communicatie manager… en we kunnen niets zeggen.
dood kind op het zand, de aanblik daarvan is ontstellend voor ons. Schokfoto die volgt op de vorige en voorafgaat aan de volgende, en alle foto’s die niet zullen worden genomen of gepubliceerd. Heb je de foto gezien, de foto die alle doden verbergt die onze stervende wereld voortbrengt? Het is het symbool van het mediaspektakel.
Altijd beschrijven ze de feiten als epifenomenen, manifestaties van een disfunctie die weinig te maken heeft met het globale model dat nu al tientallen jaren onze samenlevingen en de daarbij horende levenswijze beheerst: dat van de geldkoning. Dit is de ongeschreven regel: doe alsof dit niet is wat al het andere teweeg brengt.
Als sommige journalisten op de ochtend van 3 september 2015 de publicatie van een foto van een dood kind dat op het zand ligt, rechtvaardigen, is dat niet om hun moed en verantwoordelijkheid te insinueren – « Neem onze eigen [responsabilités], is ons werk te doen: informeren, uitleggen, ontcijferen, aan de kaak stellen. En, vanochtend, publiceerde deze foto » (Le Soir, 3/09/15) – we weten dat dit niets zal veranderen. De terugblik op deze « schokkende foto’s van de afgelopen jaren « , die in sommige media op 3 september de foto van de dag vergezelt, bewijst ook dat de schokkende beelden, meestal in combinatie met een reclame voor een bank of frisdrank, weinig bijdragen tot echte verandering. Heeft de foto van een uitgehongerd Ethiopisch meisje dat hongerig wordt bekeken door een gier, die op wrede wijze haar nabije toekomst onthult, de honger in de wereld en de georganiseerde plundering door transnationale ondernemingen verminderd?
De overtuiging dat deze « nieuwe wereld » niet alleen een kwestie is van een « nieuwe wereld », maar ook van een « nieuwe wereld » is niet alleen een kwestie van een « nieuwe wereld Het« drama van te veel, het drama dat uiteindelijk het geweten wakker schudt « , baadt ons in deze geruststellende illusie, alsof het telkens « het drama van teveel » was. de laatste « : de laatste schietpartij, het laatste vernielde lichaam, de laatste politieke wanpraktijk, de laatste dakloze die doodvroor… Ben je gek? Denkt u werkelijk dat wat zij zeggen voortkomt uit een diep gevoel van menselijkheid, of uit een marketing-gestuurde communicatiestrategie? De Rana Plazafoto’s in Bangladesh, van hen die op 24 april 2013 stierven terwijl vrouwen, mannen en kinderen onze volgende zomeruitverkoopaankopen in elkaar aan het zetten waren, hebben zij het beleid van Zara, H&M en andere multinationals veranderd die rijk worden van de slavernij van een volk waarvan de situatie slechts de vrucht is van een mondiaal systeem dat ongelijkheden genereert en gebruikt om de winst van enkelen op te blazen? Hebben zij de autoriteiten ertoe aangezet de opening van een Primark[note] in de Nieuwstraat te verbieden, en de menigte hysterisch te doen verzamelen op de eerste dag dat deze openging?
Ons wordt gevraagd ons te ontroeren, ons wordt droefheid verkocht, decontextualiseerd, de industriëlen, hun politieke acolieten en hun media-relais nodigen ons voor en na uit om te onthouden dat « om de groei te stimuleren je moet kopen ». Wat zijn de resultaten van de verkoop van deze zomer, die alle media elk jaar in koor zingen? Al bezig met hun litanieën over de volgende winter advertenties…
Maar hoe hadden we kunnen denken dat één foto, hoe gruwelijk ook, de toestand in de wereld zou veranderen? Geïnstalleerd in een dictatuur van het ogenblikkelijke, beroofd van de informatie die onontbeerlijk is om het te begrijpen, ervaren wij de emotionele schok zonder dat wij er iets aan kunnen doen; het beeld, wat het ook is, neemt niet deel aan de omkering van het systeem dat het voortbrengt, maar aan de bevestiging ervan. Eenmaal vervangen door een ander, in een voortdurende stroom van informatie, wordt het vergeten; en als het niet onmiddellijk wordt vergeten, dient het de Westerse propaganda en om de inzet van wapens en militairen in Syrië verder te rechtvaardigen tegen degene die door de media het vaakst wordt voorgesteld als de enige verantwoordelijke voor de oorlog. En de foto, die geen « afschuw wekt « , zoals sommige journalisten zeggen, maar slechts illustreert, toont nog steeds deze hiërarchie van het lijden: een kind, meer dan een volwassene, waarbij maar al te vaak wordt vergeten dat de volwassene een kind was en dat het kind volwassen zal worden… selectief mededogen. Zou deze kleine jongen, verbrijzeld door een levenspad van ellende en vernedering, nog geleefd hebben, zouden wij zo mededogend zijn geweest als hij, logisch, « haat tegen het Westen » had gevoeld toen hij volwassen was geworden?
Elke dag zijn we als schoolkinderen die te horen krijgen dat arme mensen sterven in vrachtwagens, op de weg, in de zee…, op zoek naar betere levensomstandigheden: de onze… De leraar legt uit, strijkt de werkelijkheid glad en bevestigt ons, paradoxaal genoeg, in onze keuzes en in ons gevoel van superioriteit. Hij vergeet namelijk te wijzen op het debacle van onze kapitalistische samenlevingen, te zeggen dat het bouwwerk aan het afbrokkelen is terwijl de leiders volharden in het voortzetten van dezelfde weg die ons geleid heeft tot waar we nu zijn. Dezelfde mensen wier opmerkingen in de media worden gemeld, zijn dezelfde die Libië hebben gebombardeerd en verwoest en die doen alsof zij verbaasd zijn over de dood van mensen die de ellende ontvluchten waarvan zij ook de grote architecten waren. Zij beloven, voor het oog van de camera’s, verandering; zij komen uit hun stilzwijgen wanneer het aantal lijken de moeite waard is: communicatie is essentieel… Het graf van de Middellandse Zee, wanneer het bijna duizend levens in één keer wegvaagt, wekt de van de Eurocraten en andere zakenpolitici, die weten wanneer ze de ‘com moeten grijpen. Maar elke dag doden de Middellandse Zee, de Sahara, het prikkeldraad en de muren van Ceuta en Mellila, de Israëlische controleposten, mensen wier geschiedenis de vrucht is van ongelijke seculiere betrekkingen. Zij die tieren en vergaderen in de zalen van de macht zijn niet van plan het onrecht te bestrijden en deze wereld fatsoenlijker te maken.
Vindt u deze continuïteit niet zwaar, vermomd achter de schijn van verandering? Vindt u ook niet dat hetzelfde zich herhaalt en erger wordt, zodat wij nu moeten constateren dat hun beloften van verandering slechts wensen voor bestendiging zijn? Zo zullen de plunderingen en de oorlogen die deze landen, waaruit deze mannen, vrouwen en kinderen vluchten, teisteren, blijven voortduren als er in onze westerse landen geen krachtiger beweging komt, een wereldwijd protest dat niet past in het overheersende denken, maar er de confrontatie mee aangaat.
Ondertussen zullen de elites niets doen. Ze zullen doen alsof ze dat doen. De misdaad is nu om hun leugens te blijven geloven. Geen petities, verontwaardigde brieven en andere grieven meer aan politici en bedrijfsleiders: zij trekken zich er niets van aan. Daar komt geen verandering uit voort.
Dit kleine gestrande mannetje, niet ver van zijn moeder en broer die hetzelfde lot ondergingen, in slaap gesukkeld op een strand dat meer gewoon is te worden betreden door westerse toeristen die emigreren voor de vakantie, is niet de » Hij is hetsymbool van een volk dat aan zijn droevig lot is overgelaten « , alsof zijn dood niet het gevolg is van het westerse beleid; hij is de belichaming van een kapitalistisch roofzuchtig systeem in zijn doodsstrijd, waarvan de dood geen toeval is maar een rechtstreeks gevolg van zijn intrinsieke waanzin. Groot verschil: nadenken over verlating betekent een goed geweten opwekken en liefdadigheidswerk, liedjes van multimiljonaire sterren met « I’m not the only one », « I’m not the only one ». Wij zijn de wereld, wij zijn de kinderen « ; denken aan de intrinsieke schadelijkheid van ongebreideld liberalisme en de meester-markt is het geweten omkeren, inzien dat de mensen niet in de steek worden gelaten, maar dat hun situatie een rechtstreeks gevolg is van wat wij zijn.
Hopen is dus ophouden de oplichters te geloven, die schurken die alleen maar verandering in continuïteit aanbidden, die politieke ectoplasma’s die we niet langer moeten vrezen te definiëren bij wat ze zijn. Maar er is geen reden om de politieke strijd op te geven, de strijd die gevoerd wordt op straat, in de krant, in de strijd tegen hun grote nutteloze projecten en hun valse oplossingen.
Zonder echte veranderingen zijn de voorpagina’s van de mainstream media, met hun doden en foto’s, al geschreven. Laten we eerlijk zijn.
Voor het eerst hebben wij besloten het dossier van de laatste Kairos gratis online te zetten. Dit om de strijd tegen het maxi-gevangenis project in Haren kracht bij te zetten, en tegelijkertijd bekendheid te geven aan Kairos en het voorlichtingswerk dat wij, geheel vrijwillig, nu al meer dan drie jaar doen.
Abonneer u op Kairos* Doneer
Om in te schrijven, volstaat het een bankoverschrijving te maken ten gunste van Kairos vzw op rekeningnummer: 523-0806213-24
IBAN BE81 5230 8062 1324 – BIC TRIOBEBB, en in de mededeling het adres van verzending te vermelden.
Meer informatie op https://www.new.kairospresse.be/abonnement
(Belgisch abonnement vanaf 18 euro voor één jaar en 6 nummers)
U kunt ons ook vinden in vele krantenwinkels en boekhandels in België
Om de vrije pers in leven te houden, praat over ons!
Blader door Kairos n°19 door op de afbeelding te klikken:
Niet meer lachen; de ernstige zaak is al heel lang aan de gang, in feite lang voordat wij ons bewust werden van de omvang van de ramp die op komst was. En als ik zeg wij, dan denk ik aan hen die hun tijd een beetje, of zelfs veel, vooruit waren, aan die paar bespotte, geringschattende en verguisde figuren die ons waarschuwden, die ons waarschuwden en die alleen gehoord werden door een paar bebaarde, haasachtige, hooligans, de pioniers van de ecologenbeweging, waarvan we weten dat ze nu in handen is van hen die verteerd worden door politieke ambitie en de smaak voor de posities die ze belooft aan haar beste en meest trouwe dienaren. Maar dit is slechts één van de vele details, want schande en dienstbaarheid zijn natuurlijk gemeengoed voor alle politieke elites, met zeer weinig uitzonderingen. Vandaag, meer dan veertig jaar na René Dumont, zijn het de denktanks die burgers, denkers en filosofen bijeenbrengen die, tegen de algemene gelatenheid in, met het woord als enig wapen, de fakkel van de kritiek hebben opgenomen en de grondslagen van deze wereld van bruten en haaien ter discussie hebben gesteld. Want het moet duidelijk zijn : de « crisis » – ongetwijfeld het meest verbreide woord van deze tijd – of zij nu wordt voorgesteld als financieel, economisch, schuld of wat dan ook, is slechts de volkomen voorspelbare uitkomst van een proces dat begon bij de dageraad van de industriële samenleving, tegelijk met het blinde vertrouwen in de – uitsluitend materiële – vooruitgang dat werd geprofileerd als de enige weg die voortaan openstond voor de menselijke emancipatie.
De wandelingen van de militanten van het Gare du Nord naar het Gare du Midi hebben geen werkelijke invloed op de zittende regeringen, die dit soort « goedmoedige » demonstraties net zo goed uitkomt als de werkgevers.
Het begin was natuurlijk moeilijk; de industriëlen, de bezitters van de rijkdom die zich begon op te hopen, beschouwden de massa’s die moesten werken voor de verovering van een toekomstig aards geluk als mensen met weinig middelen. Het werk was zwaar, het loon miserabel, de dagen eindeloos. Het is een wonder dat in die verre tijden het plebs slechts sporadisch in opstand kwam en dat pas bij het ontstaan van de arbeidersbeweging, het ontstaan van de eerste structuren voor onderlinge hulp, de eerste schermutselingen en vervolgens de veldslagen onder leiding van de dominante figuren van de volkspartijen zich tot ver in de omtrek manifesteerden, zodat uiteindelijk de Grote Bolsjewistische Revolutie gestalte kreeg, die lange tijd in de verbeelding van de massa’s de plaats zou innemen van een universele referentie. Intussen zullen de vooruitgang in de bewapening, de geschillen en de wrok binnen het oude Europa het eerste wereldconflict hebben doen ontstaan: een paar miljoen doden en kreupelen en, na de ondertekening van het Verdrag van Versailles, een hertekening van de oude grenzen, de vernedering van Duitsland en de ingrediënten voor de tweede wereldoorlog. Dit was, naast andere factoren, het logische gevolg van de crisis van 1929, waarvan wij weten dat zij het gevolg was van de mercantiele razernij van enkele financiers en andere geldbeluste lieden.
In 1936 was het Volksfront voor de massa’s de gelegenheid geweest om met harde strijd de verworvenheden te behalen die reeds een voorbode waren van wat in de toekomst zou gebeuren (want ook toen was de oorlog nog slechts een schrikbeeld dat de kanselarijen en de diplomaten moesten doen vergeten). Wij hebben gezien hoe wat reeds de leidende macht was, het einde van de vijandelijkheden in Azië regelde. Twee atoombommen op twee Japanse steden markeerden het begin van de « Koude Oorlog », waarin de twee antagonistische blokken, elk op hun eigen manier, hun volkeren gelukkig wilden maken. De omwentelingen en industriële keuzes, het geleidelijke einde van de rol van de staat in het economische leven, hebben in het Westen geleid tot de beroemde « dertig glorieuze jaren », waarin – ondanks het mooie en voor sommigen van ons onvergetelijke intermezzo van de lente van 1968 – het primaat van het individuele egoïsme en de waanzinnige zucht naar dingen en voorwerpen van allerlei aard, die de norm waren geworden voor een nieuw humanisme, werden bevestigd. In het Oosten deden het Sovjet-Rijk en zijn satellieten hun best op dit gebied, maar konden niet op tegen de verblindende overwinningen van de handel zoals die in de zogenaamde vrije wereld werd geëtaleerd.
De militante wandelingen van de Bastille naar de Nation in Parijs of van het Gare du Nord naar het Gare du Midi in Brussel hebben geen werkelijke invloed op de regeringen die aan de macht zijn en die net zo blij zijn met dit soort « goedmoedige » demonstraties als de werkgevers.
Trouwens, zoals Jean-Pierre Voyer het mooi uitdrukt op zijn website, de volkeren die de ineenstorting van de stalinistische maskerade van het « communisme » hebben gezien, hebben niet de vrijheid veroverd bij gelegenheid van dit historische en plotselinge verval, maar het was wel degelijk de handel (en dus het kapitaal, de financiën, afpersing van allerlei aard) die zichzelf uitnodigde en won. In dit opzicht werd de wereld dus eindelijk verenigd, geglobaliseerd – zoals dat tegenwoordig heet – met de gevolgen die wij kennen.
De steeds duidelijker zichtbare berusting – en medeplichtigheid – van de politieke elites tegenover de tirannie van de pseudo-economische wetenschap en de ergste vertegenwoordigers daarvan, staat met een volstrekt walgelijke vrolijkheid de ergste ondernemingen toe, en begeleidt deze zelfs, die ooit zijn uitgevoerd tegen datgene wat nog vaag op menselijkheid lijkt. Overal breidt de ellende zich uit, terwijl de exorbitante winsten van de wereldbezitters werkelijk krankzinnige proporties aannemen. In dezelfde beweging wordt nu het geheel van wat nog probeert te bestaan, bedreigd door de duizelingwekkende bruis die zich in nauwelijks tien jaar heeft voltrokken. Het is niet nodig erop aan te dringen, het is gemeengoed geworden te zeggen dat een in middelen en ruimte beperkte wereld niet kan voldoen aan de overdaad en de waanzin van de oneindige expansie, van de fameuze en dodelijke groei ten koste van alles. Toch is dit wat de softheads en bekrompenen blijven bepleiten als het enige perspectief, van het hoofd van het IMF, Christine Lagarde, tot de verschillende – en zo gelijk in hun onpeilbare domheid – politici aan alle kanten; of bijna. Daaraan kunnen we een groot deel van de vakbondsleiders toevoegen die nog steeds roepen om volledige werkgelegenheid, economisch herstel, de verdediging van de koopkracht en andere stommiteiten waarvan we ons mogen afvragen of ze op de een of andere manier hun werk niet doen. Deze instanties, die steeds verder verwijderd raken van hun basis, die zelf – aan deze kant van Europa althans – onderhevig is aan de sfeer van verdoving, hebben nog niet de moed of de intelligentie gehad om de juiste maat te nemen van wat er op het ogenblik op het spel staat en van de middelen die in werking moeten worden gesteld om de beste antwoorden te kunnen geven. De militante wandelingen van de Bastille naar de Nation in Parijs of van het Gare du Nord naar het Gare du Midi in Brussel hebben geen werkelijke invloed op de regeringen die aan de macht zijn en die net zo blij zijn met dit soort « goedmoedige » demonstraties als de werkgevers. Maar dat geeft niet.
Wat niemand zou moeten ontgaan – en toch de minste zorg lijkt te zijn van de grote massa mensen die we dagelijks ontmoeten – is dat we, tenzij de immense machinerie plotseling tot stilstand komt, niet lang meer hoeven te wachten om het schip te zien waarop we varen[note] onherroepelijk breken tegen de gigantische ijsberg waarvan we het bestaan hardnekkig blijven ontkennen uit angst, luiheid – of interesse.
Enkele jaren geleden werden in een boek de excessen van de RTBF aan de kaak gesteld en werden de zender en zijn burgers herinnerd aan zijn belangrijkste functie: die van een openbare dienst[note]. Tegenwoordig is de wedloop om kijkcijfers om adverteerders aan te trekken toegenomen, waardoor amusement steeds meer in de plaats komt van informatie en de consument steeds meer in de plaats komt van de kijker. Historisch overzicht van een proces dat van de RTBF geleidelijk een « commercieel merk » heeft gemaakt, gesteund door de RMB, die de adverteerders definitief heeft weten te overtuigen van het belang dat wij als kijkers-goed voor hen vertegenwoordigen. De RMB heeft de adverteerders kunnen overtuigen van het belang dat wij, als toeschouwers en als koopwaar, voor hen vertegenwoordigen.
» Het doel van RMB is om een leider te zijn in de commerciële exploitatie van mediaproducten. Haar missie is het creëren van media/marketing oplossingen voor adverteerders[note] « .
Op die manier definieert de directie haar functie, gebruik makend van de technische taal van het consumentisme en de nietszeggende verve van de moderniteit. Prozaïscher gezegd is RMB een multimediaal reclamebureau dat is opgericht door de RTBF en de Cinéma Publicitaire Belge – waarvan de « bioscoop »-activiteit in 2002 werd verkocht aan de Screenvision-groep, die voor 100% in handen is van de RTBF. Zij commercialiseert de advertentieruimte van talrijke televisie- en radiozenders, die van de RTBF en andere zoals NRJ, kranten, alsook de nieuwe advertentieruimten op het net en in de telefonie [voir encadré]. Het bureau weegt zwaar: het is het op een na grootste reclamebureau in het zuiden en haalde in 2010 een omzet van 110 miljoen euro.
Vóór de opkomst van de RMB in het begin van de jaren tachtig werd het audiovisuele landschap van de Franse Gemeenschap hoofdzakelijk ingenomen door openbare televisie- en radiostations die alleen door de belastingbetaler werden gesubsidieerd. Maar, zoals vertegenwoordigers van de RTBF al lang zeggen, « de concurrentie met de Franse zenders en RTL wordt steeds harder en de openbare omroep moet op zoek naar nieuwe bronnen van inkomsten ». Het is het dictaat van de concurrentie en het concurrentievermogen, dat overal welig tiert – zoals bijvoorbeeld de Europese loondumping – dat alles rechtvaardigt – zoals de neoliberale dereguleringen van de Europese Raad – en dat de RTBF, geconfronteerd met het voortbestaan van particuliere zenders die « vrij » zijn om te doen wat zij willen, doet zeggen dat zij « niet anders kan » dan wat de particuliere zenders doen. In 1985 zag de RTBF het levenslicht, nadat de Regering van de Franse Gemeenschap in 1983 de RTBF had gemachtigd niet-commerciële reclame uit te zenden (decreet ondertekend door Ph. Moureaux (PS), Ph. Monfils (MR) en R. Urbain (PS)).
Van niet-commerciële naar commerciële reclame, 6 jaar geleden. In 1989 werd bij decreet toestemming verleend voor commerciële reclame in de openbare ether. Aangezien het budget van de Franse buren soms 15 keer hoger ligt, droomt de kleine Belgische zender van grootsheid, zodat « het niet verwonderlijk is dat van tijd tot tijd het idee opduikt om commerciële reclame op het scherm toe te laten ». De rest is als een litanie met een bekend refrein, waarin de geleidelijke overname van het nieuws door de reclame wordt georganiseerd, en dus de geest van winstbejag en de gevolgen daarvan voor de kwaliteit van de RTBF.
De RTBF heeft het moeilijk om te concurreren met particuliere Belgische televisie- en radiozenders, hoewel haar overheidsfinanciering dit had moeten verhinderen. In 1993 werd het Horizon-plan ingevoerd, dat voorzag in vervroegde pensionering van statutair personeel. In 2002 beoogt het Magellan-plan de RTBF te « moderniseren en te ontwikkelen », termen met een positieve connotatie die de werkelijke belangen en de schijnbaar onvermijdelijke privatiseringslogica van de zender verhullen: « Ik ben nauwelijks optimistisch over het Magellan-plan. Ik denk dat het een vlucht naar voren is en een potentiële economische ramp. De RTBF van morgen zal niet langer een openbare dienst zijn. Het administratieve karakter zal blijven bestaan, maar de programma’s zullen nuttelozer worden. Het wordt een soort ministerie van vermaak, ook al blijven het journaal en de radiopraatprogramma’s bolwerken van steun… [note] « , zegt Henri Sonet in die tijd.
« Ondersteunde bolwerken »… niet voor lang. Om het publiek preciezer te kunnen bereiken, met het onomwonden doel de adverteerders te behagen, werden de radiostations hervormd: Bruxelles Capitale en Fréquence Wallonie fuseerden tot VivaCité. Radio 21 is opgesplitst in een klassieke rockzender (Classic 21) en een « jonge » muziekzender (Pure FM); « Bij dit gevarieerde aanbod is het voordeel van de radio dat zij op het juiste moment bepaalde doelgroepen bereikt, waarvan de luistermotieven duidelijk zijn (sic). Ook het « televisieaanbod » wordt « geherpositioneerd » om « de specificiteit en de samenhang van de zenders te verbeteren »: « La Une en La Deux gaan nu over tot een meer complementaire programmering », d.w.z. « meer aangepast aan de belangen van adverteerders die zich richten op specifieke sectoren ».
Een uitgebreid netwerk van partners ondersteunt de nieuwe commerciële naam van het RTBF/RMB-paar: marketingdozen (BMMA); sponsoring (Prométhéa, CAP 48), waarvan de Régie de dubbelzinnigheid en het belang voor de onderneming erkent (« tussen zuivere sponsoring en zuivere mecenaat bestaan praktijken waarvan sommige zich op het kruispunt van mecenaat en mecenaat zouden kunnen bevinden, voor zover zij voor de onderneming een aanzienlijk rendement in termen van zichtbaarheid inhouden »… om van daaruit toe te geven dat mecenaat reclame is…). Een andere natuurlijke partner is het Media Informatie Centrum [CIM – voir encadré] die gekwantificeerde metingen van de « mediaconsumptie » en bepaalde gewoonten van « beoogde » kijkers verstrekken; instanties voor de optimalisering van reclame, zoals Effie, die reclame met « bewezen doeltreffendheid » beloont (waarvan het RMB sponsor is voor de categorie TV, die, in de woorden van zijn « algemeen directeur », Yves Gérard, een « medium in voortdurende ontwikkeling is dat nieuwe interacties zal bieden die de adverteerder in de nabije toekomst dichter bij de consument zullen brengen »); Brand Lobby (BABM); enz. [voir le schéma dans les pages centrales].
Deze reorganisatie wordt voortgezet met de lancering van RTBF, dat zijn aanbod op Internet ontwikkelt, waar RMB een nieuw reclamekanaal vindt. Deze evolutie nodigt uit om met de vorm te spelen, aangezien de nieuwe « moderniteit » van de RTBF – of de controle van de adverteerders – in de beelden tot uiting moet komen. In 2006 heeft « de RTBF een nieuwe grafische lijn aangenomen » die « de onderneming op een nieuw pad heeft gezet, dat van moderniteit en dynamiek », met zijn nieuwe « corporate logo »: « in fase met de nieuwe en sterke logo’s van de verschillende nieuwe zenders (…) om de vernieuwing en de dynamiek van de onderneming te bevestigen. De typografie werd speciaal voor het logo ontworpen. Het toont een echte moderniteit en vloeibaarheid: de letters, in kleine letters, zijn met elkaar verbonden door een visueel effect, alsof er een golf in beweging doorheen gaat. Dit logo is dus synoniem met flexibiliteit, eenvoud en openheid. Al deze kenmerken moeten de zenders in staat stellen zich ten volle te blijven doen gelden, waarbij het merk RTBF naast hen een « kwaliteitslabel » vormt.
Het « RTBF merk »…? De hond volgt zijn meester en de managers nemen de reclamestijl over, met zijn stortvloed aan beelden en zijn Engelstalige opdringerigheid: « fighting spirit », « commitment »… Succesvolle inwijding: de RTBF is niet langer een openbare dienst, het is een bedrijf en een « merk ».
« Dynamisme », « moderniteit », « ontwikkeling », « openheid »… voor wie? Achter de slogans en logo’s die ogenschijnlijk zijn ingegeven door bezorgdheid om de kijker, gaat in werkelijkheid een « bedrijf » schuil dat geleidelijk een machtige mediadrager wordt voor de adverteerders, ten nadele van de kijkers/luisteraars die worden gereduceerd tot de status van schietschijf. Zodra de gebruiker als consument wordt beschouwd, wordt afgeweken van de openbare-dienstverleningstaak om te informeren, op te voeden en te amuseren. Hoe meer de media de adverteerder dienen, hoe meer zij de keuzevrijheid van de kijker-luisteraar waarderen, hoe meer zij zijn vervreemding versterken, hoe meer zij beweren vrij en autonoom te zijn, vooral tegenover de adverteerders.
Weinig journalisten zullen melding maken van dit ideologische keurslijf dat hun werk omlijst. Uit angst, isolement, gewoonte, omdat ze denken dat ze hun baan kunnen verliezen, omdat ze zich hebben aangepast, omdat ze zijn opgeleid in de school van de marketing of omdat ze het eens zijn met dit soort journalistiek[note]. Subversieve inhoud, of inhoud die gewoon niet strookt met reclame, wordt al snel verboden terrein. Weerstand biedende of niet-conforme verklaringen worden ofwel geëlimineerd, ofwel in een bedrieglijk neutrale stijl gepresenteerd [voir article page…], ofwel gereduceerd tot vertrouwelijke getuigenissen, bijvoorbeeld door ze in de tijdschema’s te schuiven. Wij hebben goede programma’s zien verdwijnen omdat zij niet verenigbaar waren met reclame : « cartes sur table », « l’hebdo » en zelfs « blabla » zijn beroemde voorbeelden.
Als gewone verkoper van reclameruimte is RMB, die voor 100 % eigendom is van de RTBF, logischerwijze een leverancier geworden van « media-marketingoplossingen » – de reclameruimte die beschikbaar is op de kanalen van de RTBF en andere diensten – voor haar klanten, de adverteerders. De RTBF wil zich, laten we zeggen, definitief aansluiten bij de primaire functie van RTL-TVi en TF1, zoals de ex-baas van TF1 duidelijk heeft verklaard: het verkopen aan adverteerders die hun troep willen verkopen, van de menselijke hersentijd van haar gebruikers die zij beschikbaar stelt dankzij geestdodende programma’s[note].
Moet een publieke zender dit mogen doen?
Dan rijst het dilemma: willen we het belangrijkste culturele instrument van de Franse Gemeenschap veranderen in een instrument ten dienste van de reclame – en dus van de bestendiging van een consumentistische en kunstmatige maatschappij – die er alleen maar naar streeft de particuliere zenders na te apen, terwijl het door en voor het publiek is gebouwd, of besluiten we het uit deze reclamewurggreep te halen, zonder welke het niet mogelijk zal zijn terug te keren naar het algemeen belang?
IDe vraag is niet langer of het wenselijk is ons verbruik van materiële hulpbronnen te verminderen: het antwoord is dat wij dat moeten doen. Hoe dit te bereiken is moeilijker. Om te reageren, moeten we eerst de uitdaging aannemen. Dit is niet alleen economisch, maar ook cultureel, en zo geïntegreerd dat het, als het een natuurlijk gegeven wordt, bijna antropologisch wordt.
Niemand heeft deze antropologische grondslag van het klassieke liberale kapitalisme en de daarmee samenhangende ideologie van oneindige groei beter beschreven dan Max Weber. Het begin van de 20e eeuw is, het is waar, een bijzonder gunstige tijd. Weber schreef zijn Protestantse Ethiek en de Geest van het Kapitalisme terwijl hij nog keek naar de traditionele pre-kapitalistische samenleving. Bovendien werd de arbeidersklasse in het begin van de 20e eeuw geleidelijk geïntegreerd in het kapitalisme; de eerste sociale wetten werden in de jaren 1880 en 1890 onder Bismarck uitgevaardigd. Tegelijkertijd de ontoereikendheid van een kritiek op het liberale kapitalisme die zich beperkt tot het aan de kaak stellen van de ongelijkheden tussen kapitaalbezitters en niet kapitaalbezitters – zij die « van dag tot dag » leven, zoals dat toen heette, en die werk moeten vinden om te kunnen leven. Deze kritiek is niet verkeerd, vertelt Weber ons. Maar het dringt niet door tot de kern van de beschavingsmalaise die het kapitalisme veroorzaakt.
Maar wat is deze malaise? Weber is het niet eens met de opvatting dat het protestantisme een materialistische mentaliteit aanmoedigt die beter past bij de eisen van de kapitalistische wereld. Deze interpretatie is simplistisch en onjuist, en Weber weerlegt ze uitdrukkelijk. Webers originaliteit bestaat er veeleer in de op winstaccumulatie gerichte kapitalistische mentaliteit te beschrijven als een ascese of discipline. Deze levensregel, waaraan het individu zijn bestaan opoffert, vereist dat hij te allen tijde naar accumulatie streeft. « Tijd is geld », « geld dat slaapt is geld dat verloren gaat »: de succesvolle kapitalist volgt stelregels die van hem een renteberekenende machine maken.
Opmerkelijk genoeg is het niet het ongebreideld najagen van genot dat aan de basis ligt van het kapitalisme. Dit is niet de wereld van Mandeville of Smith, waar het economisch systeem volledig gebaseerd is op zelfzuchtige begeerte: de basis hier is de monomane toewijding om iemands startkapitaal te laten groeien. Er is geen permanente, vraatzuchtige en hedonistische zoektocht naar bevrediging van persoonlijke belangen. Er is een ascese, een zelfopoffering. De kapitalist stamt niet af van de feestvierder, maar van de monnik: « De protestantse reformatie bracht de rationele christelijke ascese en haar methodische leefregel uit de kloosters en exporteerde ze naar het beroepsleven, waarbij iedere christen de verplichting kreeg zijn leven lang monnik te zijn ». Om goede protestanten en dus goede kapitalistische agenten te zijn, moeten we het leven vergeten en al onze energie wijden aan het verdienen van meer, aan het vergaren van meer.
De these van Weber is volkomen verenigbaar met het enkele jaren eerder door Georg Simmel in zijn Filosofie van het geld naar voren gebrachte idee, volgens hetwelk geld « de totaliteit van de doeleinden » uitdrukt: geld is een universele fungibele stof en kan dus in verband worden gebracht met elk doel dat het individu zou willen nastreven, aangezien het in beginsel slechts een middel is om datgene te verwerven wat het mogelijk maakt de doeleinden te bereiken die ieder voor zichzelf vaststelt. Maar deze opmerkelijke eigenschap vormt ook het gevaar ervan: met de monetarisering van de economie kunnen niet alleen de specialisatie van de taken en de arbeidsverdeling verder gaan dan het wederzijds verlenen van diensten in de vorm van ruilhandel, maar staat ook de deur open voor oneindige accumulatie. Het vergaren van geld laat de vraag naar het doel van het individu open, en verplicht hem dus niet om zich definitief uit te spreken over zijn uiteindelijke doelen: zolang hij oppot, met het oog op een toekomst die hij voorbereidt en waarvoor hij zijn heden opoffert, mag hij zich niet uitspreken over het soort bestaan dat hij wil leiden. Dit oppotten, deze accumulatie, is dus ook een handige manier om een gebrek aan verbeelding te compenseren: als we accumuleren, is dat omdat we niet weten hoe we moeten uitgeven. We dwalen doelloos door het leven: dus laten we ons ophopen, want op een dag weten we misschien wat we moeten doen met het geld dat we verzameld hebben.
Aldus legt Weber de nadruk op de sociaal geconstrueerde dimensie van de kapitalistische mentaliteit. De mens is niet van nature geobsedeerd door materiële accumulatie, zegt hij ons in hoofdzaak: het is de maatschappij en in dit geval de protestantse mentaliteit, de ascese die zij bevordert en van iedereen verwacht, die de individuen ertoe dwingt zich op te offeren aan de weinig opwindende taak geld te verdienen. Je verliest je leven, natuurlijk, maar de maatschappij laat je geen andere keus. Want uit het kapitalistische denken stappen is een probleem van collectieve actie: niemand kan het alleen. Het idee van natuurlijke selectie leenend van Darwin, stelt Weber duidelijk dat het individu dat het spel niet meespeelt, dat weigert zijn of haar leven te verspillen om zijn of haar kapitaal zo goed mogelijk te laten werken, door de economische concurrentie zal worden geëlimineerd. We hebben dus collectieve actie nodig, actie van de maatschappij tegen zichzelf, om uit de kooi te komen.
Kapitalisme zonder consumenten
De door Weber voorgestelde reconstructie (vergeef me de godslastering) heeft ook twee grote tekortkomingen. Ten eerste is de consumptiedimensie vrijwel afwezig. Weber trekt een gelijkenis tussen de kapitalistische ondernemer en de monnik, beiden geobsedeerd door de manische en eindeloze zoektocht naar een leven zonder genoegens. Maar Weber toont ons een kapitalisme zonder consumenten: zijn beeld mist een belangrijk element.
Toch was dit element Weber dicht genaderd om naar voren te brengen. Dit is met name het geval waar hij de overgang van de « traditionalistische » naar de « kapitalistische » mentaliteit onderzoekt. In tegenstelling tot het kapitalistische denken is het traditionalistische denken een denken waarin men, wanneer eenmaal in de basisbehoeften is voorzien, niet meer streeft naar verhoging van het inkomen, maar veeleer naar vermindering van de investering in arbeid. Dit is het geval met de landarbeider die, wanneer het stukloon wordt verhoogd, niet meer gaat werken om van de meevaller te profiteren, maar in plaats daarvan ophoudt met werken wanneer hij het niveau heeft bereikt waarvan hij vóór de verhoging kon leven: « De arbeider die 1 mark betaald kreeg voor het maaien van een hectare, die voordien 2,5 hectare per dag had gemaaid en dus 2,5 mark per dag verdiende, is niet, zoals was verwacht, drie hectare gaan maaien om te profiteren van de extra verdienmogelijkheid toen het loon per hectare met 25 pfennig werd verhoogd: In plaats van 3,75 mark te verdienen – wat heel goed mogelijk zou zijn geweest – maaide hij slechts twee are per dag, want hij verdiende zoals voorheen 2,5 mark en was daar tevreden mee, zoals de Bijbel zegt.
Weber becommentarieert dit voorbeeld als volgt: de extra winst die de arbeider had kunnen maken, zegt hij, « trok hem minder aan dan de vermindering van zijn werk; hij vroeg zich niet af hoeveel hij per dag kon verdienen door de maximale hoeveelheid werk te doen, maar welk werk hij moest doen om de som – 2,5 mark – te verdienen die hij tot dan toe had ontvangen en die in zijn traditionele behoeften voorzag ». Individuen die nog steeds in het traditionalistische denken gevangen zitten, streven ernaar te leven, en slechts in tweede instantie, als middel van bestaan, geld te verdienen; individuen die de kapitalistische mentaliteit hebben aangenomen, wijden hun leven aan het verdienen van geld. Om het kapitalisme te laten gedijen, moet deze mentaliteit worden bijgebracht en moet de aanvankelijk weerstand biedende massa erin worden onderwezen.
Weber is verbaasd over dit irrationele gedrag. Wie zijn deze mensen die niet reageren op stimulansen, die niet gedreven worden door hebzucht, die zo oneconomisch zijn? Weber had nog verder kunnen gaan en het volgende kunnen toevoegen: om het kapitalisme te laten werken, moet je de mensen ertoe aanzetten meer te consumeren, hun de smaak van het meer te geven. Voor deze werknemers waren 3 punten voldoende. Zij wilden tijd vrijhouden voor uitgaven, familie, ontspanning en rust. Weber had kunnen zeggen: het kapitalisme moet, om te overleven, de grens tussen behoefte en verlangen doen vervagen. Het moet kunstmatige behoeften creëren, zodat de arbeider ervoor kiest om steeds meer te werken.
Op hetzelfde moment dat Weber zijn Protestantse Ethiek schreef, ontdekte Amerika een iconoclastisch auteur, een niet te classificeren econoom en de zoon van Noorse boeren: in 1899 publiceerde Thorstein Velben zijn Theorie van de Vrijetijdsklasse, waarin hij het belang van opzichtige consumptie aantoonde. De consument consumeert het overbodige, koopt luxegoederen om iedereen een signaal te geven over zijn of haar sociale status, « om de achting van de mensen te trekken en te behouden », aldus Veblen. Maar dit betreft alleen de geldelijke bovenlaag, zoals hij het noemt: de hogere bourgeoisie. Dit is het tegenovergestelde van de massaconsumptie die wij sinds een halve eeuw kennen. In de wereld van Veblen consumeren mensen ostentatief, net als de « have-nots », om zich te onderscheiden, niet om te imiteren. Zou de obscuriteit van de consumptiedimensie bij Weber te wijten kunnen zijn aan het feit dat consumptie ten tijde van het ontstaan van het kapitalisme nog geen massaconsumptie was?
De commodificatie van de wereld
Weber heeft nog een andere ondoordachte: hij heeft het ontstaan van het kapitalisme niet in verband gebracht met de commodificatie van de wereld, de transformatie van alle goederen en diensten in ruilobjecten. Ook hier ontbreekt deze dimensie van het opkomende kapitalisme, maar Weber komt in de buurt. In een passage uit Economy and Society, dat hij in 1922 publiceerde in het kielzog van zijn Protestantse Ethiek, stelt hij zich voor hoe het kapitalisme had kunnen ontstaan. In het begin, zegt hij, werd de verhouding van de individuen tot elkaar geregeld door de traditie; de marktwereld was onbeweeglijk en betrekkelijk onveranderlijk. Maar plotseling is er de zoon van een textielhandelaar die, in plaats van te doen wat zijn vader en grootvader altijd deden, naar de katoenteler en zijn afnemers gaat om te proberen de winst in de hele keten te maximaliseren: hij wil katoen van betere kwaliteit, grotere hoeveelheden, en beter voldoen aan de smaak van de afnemers om meer van hen naar hem toe te trekken (wij zouden vandaag zeggen: « zijn marktaandeel vergroten »). Als slechts één van hen het plotseling in zijn hoofd haalt om een dergelijke vooruitgang te boeken, zijn alle anderen verplicht hem na te volgen en hun manier van stoffen produceren om te vormen, om hun winstmarge te verhogen en zo deze nieuwe concurrentie het hoofd te bieden. Wanneer Weber zegt dat kapitalisme een voortdurend zoeken naar winst is, vergeet hij eraan toe te voegen dat het vereist dat het dagelijks leven zo veel mogelijk onder de loep wordt genomen om te zien hoe er meer winst kan worden gemaakt. Alles wat winstgevend kan worden gemaakt door in het marktcircuit in omloop te worden gebracht, zal onvermijdelijk een handelsartikel worden.
« Het is niet langer de vraag of het wenselijk is ons verbruik van materiële hulpbronnen te verminderen: het antwoord is dat wij dat moeten doen.
Deze geleidelijke commodificatie is het overheersende thema van Karl Polanyi’s belangrijkste werk, The Great Transformation, gepubliceerd in 1944. Het laat zien hoe arbeid, land en geld geleidelijk handelswaar werden. Het kolonialisme, stelde hij aan de kaak, was ook een manier om uit te breiden naar nieuwe gebieden, en deze tot gevangen markten te maken. Vandaag de dag is deze commodificatie van de wereld zo gewoon geworden dat het ons nauwelijks verbaast wanneer zij in nieuwe gedaanten opduikt: studenten verhuren hun voorhoofd als advertentieruimte; bureaus verhuren de diensten van huishoudsters die naakt werken tegen een hogere vergoeding; het advies dat wij vroeger vroegen aan grootouders is de markt geworden voor professionele therapeuten. Niets, zo lijkt het, kan ontsnappen aan deze onbegrensd geworden commodificatie: de dijken zijn doorgebroken.
Dit zijn Weber’s twee ondenkbare zaken: de noodzaak om meer consumptie aan te moedigen om het liberale kapitalisme te laten voortbestaan, en de noodzaak om de marktsfeer uit te breiden. Maar deze twee ondenkbare zaken zijn nu juist de twee grote aporias van ons kapitalistisch systeem. Zoals Marx duidelijk zag, loopt het kapitalisme het risico van een crisis van overproduktie als het niet tegelijkertijd solvente markten ontwikkelt die de overproduktie kunnen absorberen. Maar tegelijkertijd kan deze groei niet oneindig zijn, want hij stuit op de grenzen van de capaciteiten van de planeet. De eerste tegenstrijdigheid werd aangepakt door massaconsumptie; daardoor werd de tweede tegenstrijdigheid geaccentueerd en niet aangepakt.
Dit is waar we zijn. Wij hebben twee gevangenissen gebouwd: één voor de producent en één voor de consument. Zij zijn nauw van elkaar afhankelijk. Zoals Weber had gezien, dwingt het principe van de producent elke economische agent om minstens even productief te zijn als de directe concurrent in een nooit eindigende wedloop naar maximale winstgevendheid, of anders zullen zij verdwijnen. Het is een irrationele race. Het is een bron van ongeluk en verloren levens. De val is dicht: presteren of sterven.
En dan is er nog het spiegelbeeld van de kooi van de consument: ook hij zit in de val en definieert zijn sociaal zijn door wat hij koopt. Hij maakt deel uit van het destructieve proces van plundering van de hulpbronnen van de planeet, hoewel deze medeplichtigheid hem soms kan verafschuwen. Hij is de speelbal van voorwerpen, waarvan hij de slaaf is geworden.
Maar wij zijn de sleutels kwijt van deze kooien, deze strafkolonies van de producent en de consument. Zij worden opgelegd door het systeem, door wat Weber « de kosmos van de moderne economische orde » noemt. Zij zijn niet het resultaat van een mythische menselijke natuur die gericht is op winst en consumptie. De muren zijn hoger dan dat. Veranderen is kinderspel. Het hangt van ons af. Maar het systeem waarin we gevangen zitten veranderen, het systeem veranderen: dat vereist collectieve actie, actie van de maatschappij tegen zichzelf, die niemand van ons alleen kan doen.
Groene technologieën alleen zullen ons niet van de afgrond redden. Tim Jackson herinnerde aan de cijfers waarop deze belofte stukloopt: sinds 1990, toen men zich voor het eerst bewust werd van de klimaatverandering, is de koolstofintensiteit van de mondiale groei met 0,7% per jaar gedaald. We worden steeds groener; er komen geleidelijk aan « schone » technologieën. Maar tegelijkertijd blijft de wereldbevolking groeien met 1,3% per jaar en neemt de gemiddelde consumptie per persoon toe met 1,4% per jaar, zodat bij het huidige tempo de toename van broeikasgassen in de atmosfeer elk jaar 2% bedraagt (1,3+1%+1,4%,7%). Groene technologieën, hoe wenselijk ook, zijn niet voldoende om de bevolkingsgroei of de stijging van het gemiddelde verbruik per hoofd van de bevolking te compenseren. Bovendien maken mensen met elke energiebesparing dankzij groenere technologieën een deel van hun inkomen vrij, dat ten minste gedeeltelijk wordt gebruikt om aan andere consumptie-« behoeften » te voldoen.
Hoe kan ik ontsnappen? Hoe kunnen wij uit deze dubbele val geraken die zich voor ons heeft gesloten, in onze twee rollen van producent en consument? Welke collectieve actie is denkbaar om een ecologische overgang te verzekeren? Ik stel voor om vier wegen te verkennen.
Vier wegen voor een ecologische transitie op basis van sociale innovatie
Eerste voorstel: om de ecologische overgang te verzekeren, moeten we naar een herverdelend beleid, naar gelijke materiële voorwaarden. Ten eerste zullen, gezien de ontoereikendheid van « groene groei », d.w.z. een optie die uitsluitend op schonere technologieën is gebaseerd, de kosten van een overgang moeten worden gedeeld. Het gaat niet langer alleen om het delen van de vruchten van de groei, maar ook om het delen van de offers. We moeten overgaan tot een mobilisatie van de inspanningen: een oorlogseconomie, zo u wilt, zonder de oorlog. Het beleid dat met het oog hierop wordt gevoerd, moet als legitiem worden beschouwd. Zij kunnen echter alleen worden bereikt als zij billijk over allen worden verdeeld.
« Uit de kapitalistische mentaliteit geraken stelt ons voor een probleem van collectieve actie: niemand kan het alleen doen.
Een beleid van gelijke herverdeling beperkt ook de urgentie van de economische groei. Tot nu toe was groei immers de rechtvaardiging om het inkomen niet in ruimere mate te herverdelen. Als ongelijkheid tot nu toe is getolereerd, en zelfs de toename van ongelijkheid in de afgelopen dertig jaar, dan is dat omdat groei ons beloofde dat we het altijd beter zouden doen. Bevordering van gelijkheid betekent dat de idool van de groei wordt opgeheven; het betekent dat groei minder onmisbaar wordt.
Tenslotte vermindert gelijkheid de overconsumptie die samenhangt met het zoeken naar sociale erkenning. Wat Veblen « opzichtige consumptie » noemde, is niet alleen een zaak van de bezittende klasse (Veblens « vrijetijdsklasse »); het is een wedloop naar erkenning die ons allen uitput. Onderzoekers voerden een experiment uit op een representatieve steekproef van deelnemers en vroegen hen te kiezen tussen relatief slechter af zijn in maatschappij A, die rijk is en dus een goed inkomen heeft, maar waarin veel mensen een beter inkomen hebben dan zij, of relatief beter af zijn in maatschappij B, die gemiddeld armer is, maar waarin zij persoonlijk veel rijker zouden zijn dan het gemiddelde in die maatschappij. Meer dan de helft van de deelnemers was bereid 50% van hun inkomen op te offeren om een betere positie in de sociale hiërarchie te verwerven: in het algemeen verkiest men relatief welgesteld te zijn in een land met een laag inkomen dan relatief arm te zijn in een land met een hoog inkomen. Ons verlangen om meer te bezitten is niet gebaseerd op behoeften die bevredigd moeten worden, maar op onze bezorgdheid om niet sociaal gedegradeerd te worden.
Deze bijdrage die een beleid van inkomensherverdeling aan de ecologische overgang kan leveren, heeft politieke consequenties. In plaats van de doelstellingen van de sociaal-democratie, die erop gericht is de toegang tot consumptie voor een zo groot mogelijk aantal mensen te bevorderen, tegenover de doelstelling van de overgang naar een stationaire economie of degrowth te plaatsen, moeten wij de complementariteit van deze benaderingen aantonen : deze complementariteit is reëel, op voorwaarde dat de sociale integratie wordt gedefinieerd in relatieve en niet in absolute termen van consumptie.
Tweede voorstel: elke ecologische overgang moet vergezeld gaan van een genderbeleid. Dit is in de eerste plaats te wijten aan de plaats die het vrouwelijk lichaam heeft ingenomen in de consumptiemaatschappij en in haar favoriete wapen, de reclame: erotisering gaat overal gepaard met commodificatie. Het heeft ook te maken met de consumptiekeuzes die voortvloeien uit het gebod voor vrouwen om mooi te zijn – een gebod dat bijna religieus is geworden – dat dicteert wat zij eet, waar zij op vakantie gaat en van welke vrijetijdsactiviteiten zij geniet. Ten slotte is het te wijten aan het feit dat de economische concurrentie gedragingen beloont en valoriseert die in onze verbeelding en ons onderbewustzijn met mannelijke viriliteit worden geassocieerd: dit is wat een socioloog als Pierre Bourdieu, in La domination masculine, of een arbeidspsycholoog als Christophe Dejours, in Souffrance en France, aantonen.
Welk genderbeleid kan tegen deze dubbele sacralisatie ingaan: enerzijds die van het vrouw-object en anderzijds die van een economische concurrentie die wordt voorgesteld als een strijd waarin viriliteit de boventoon voert en waarin de vrouw wordt opgeroepen aan de zijde van haar man te vechten? De oplossing is natuurlijk niet om mannelijkheid te demoniseren en vrouwelijkheid te heiligen. Het gaat er ook niet om vrouwen te behoeden voor de instrumentalisering van hun lichaam door de reclame, of hen te behoeden voor coöptatie door de arbeidswereld, hetgeen integendeel in beginsel wenselijk is vanuit het oogpunt van de gelijkheid van vrouwen en mannen. Maar we moeten de huidige rolverdeling tussen mannen en vrouwen en de gevolgen daarvan in vraag stellen. Contacten leggen met de buren, maaltijden bereiden, voor kinderen of bejaarde ouders zorgen: deze activiteiten worden over het algemeen ondergewaardeerd in onze samenlevingen, omdat zij traditioneel het domein van de vrouw zijn. De minachting waarmee deze taken gepaard gaan, staat in contrast met de waardering van de man die vroeg vertrekt en laat terugkomt, die geld verdient omdat hij zijn dienst aan de maatschappij verkoopt.
Het genderbeleid dat de ecologische overgang moet begeleiden, moet bestaan uit een herwaardering van de functies die traditioneel aan vrouwen worden toevertrouwd, zodat deze functies tussen mannen en vrouwen worden verdeeld op dezelfde wijze als het werk is verdeeld. Gelijkheid van vrouwen en mannen is vandaag de dag even belangrijk in de huiselijke sfeer als op het werk. Er is een herbeschaving van mannen door vrouwen nodig: alleen tegen de prijs van deze « deprogrammering » van mannen zullen zij geleidelijk kunnen ontsnappen aan de val van de oneindige economische concurrentie.
Derde voorstel: we hebben een beleid van sociale diversiteit nodig. Ik leen deze mooie uitdrukking van Christian Arnsperger. Socio-diversiteit is de bevordering van alternatieven, van duurzamere levensstijlen, van kleinschalige lokale oplossingen: deze micro-experimenten omvatten de reconstitutie van korte voedselcircuits, lokale uitwisselingssystemen, de vrijwillige simplicity-beweging, of gemeenschapstuinen. Deze alternatieven moeten eerst tot bloei kunnen komen, dan tot een school worden, en ten slotte de paden van een alternatief voor de gehele samenleving kunnen uitstippelen.
Dit lokale experimentalisme is om drie redenen belangrijk. Ten eerste weten we dat het huidige traject onhoudbaar is, maar we kennen het exit-scenario niet: we moeten daarom het leren in de samenleving versnellen. Ten tweede kunnen deze microprojecten gedeeltelijk ons onvermogen compenseren om ons andere manieren voor te stellen om onze vrije tijd te besteden dan door consumptie. André Gorz wees erop dat wij hebben geïnvesteerd in technologieën die tijd vrijmaken, maar dat wij niet weten wat wij met al die vrijgemaakte tijd moeten doen. Eindeloze consumptie wordt een substituut voor dit gebrek aan verbeelding: zoals Keynes zei in een tekst uit 1928, Economic Prospects for Our Grandchildren, « we have been trained too long to pay and not to enjoy ». Tenslotte dragen deze plaatselijke initiatieven, deze eilanden van sociale diversiteit, bij tot het herstel van de sociale banden. Wij weten nu dat, meer nog dan bijvoorbeeld tabak- of alcoholmisbruik, een gebrek aan sociale banden een belangrijke risicofactor is voor vroegtijdige morbiditeit. Investeren in lokale microprojecten maakt het ook mogelijk dat iedereen niet wordt beschouwd voor wat hij heeft, maar voor wie hij is, voor de diensten die hij verleent, voor de recepten die hij onderwijst of voor de vaardigheden die hij heeft verworven: van opzichtige consumptie gaan we mettertijd over op opzichtige beschikbaarheid voor anderen.
Vierde voorstel: de gemeenschap kan de ecologische transitie bevorderen op basis van sociale innovatie. Zij kan dit doen door in de eerste plaats het experimenteren op plaatselijk niveau aan te moedigen en de sociale ingenieurs die de aanzet tot deze micro-projecten geven, te helpen de hinderpalen die zij tegenkomen te overwinnen. Dit impliceert een bescheiden beleid dat ten dienste staat van burgerinitiatieven en minder gebaseerd is op plannen en strategieën dan op een inductieve aanpak die sociale innovatie beloont: het beleid is erop gericht buren te helpen die samen willen komen om hun gemeenschappelijke tuin aan te leggen.
De overheid moet ook de economische stimulansen creëren die koolstofarme en duurzame levensstijlen belonen, en zo innovatie in die richting aanmoedigen. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van individuele koolstofkredieten. Iedereen krijgt een X-hoeveelheid koolstof om in de loop van het jaar uit te geven, en aan het eind van de periode worden degenen met ongebruikte quota beloond door een fonds dat wordt gefinancierd door degenen die hun quota overschrijden. Dit zou iedereen dwingen te rantsoeneren, en wie meer uitgeeft zou meer betalen. Of het zou een progressieve prijsstelling voor water of energie kunnen betekenen: elk huishouden zou een zeer lage prijs betalen voor een bepaald basisverbruiksniveau, maar de eenheidsprijzen zouden steeds hoger worden voor elke extra verbruikte eenheid.
Ten derde moet de overheid openbare diensten aanbieden die de aankoop en consumptie van privégoederen verminderen en tegelijk de vrije tijd zinvoller maken: deze tweeledige functie wordt vervuld door het aanbieden van fietsen met zelfbediening, de veralgemening van een cambio-systeem voor auto’s of het delen van grasmaaiers.
Ten vierde moet de regering het effect van haar beleid systematisch evalueren aan de hand van indicatoren voor duurzame ontwikkeling. Vandaag de dag is de groei van het BBP de obsessie van onze regeringen. Maar waar we naar moeten zoeken « met tanden », zoals het gezegde luidt, is niet groei: het is welzijn. En in onze welvarende samenlevingen zijn de twee tegenstrijdig: oneindige groei dreigt economische drempels te overschrijden die uiteindelijk onze welvaart zelf in gevaar zullen brengen. Academici zoals Isabelle Cassiers werken aan alternatieve indicatoren om de prestaties van bedrijven te meten, anders dan via macro-economische indexen. De uitdaging bestaat er nu in naar de praktijk over te stappen en onafhankelijke controlemechanismen op te zetten, zodat de regeringen zich verantwoordelijk voelen wanneer hun beleid indruist tegen de indicatoren voor duurzame ontwikkeling.
De kunst van de overgang
Twee dilemma’s achtervolgen de huidige debatten over overgangen. In de eerste plaats pendelen wij voortdurend tussen enerzijds de erkenning van de noodzaak van planning – of zelfs, voor sommigen, quasi-autoritaire planning – en anderzijds de wens om particuliere initiatieven tot bloei te laten komen: enerzijds weten wij dat automatische sturing door de markt niet werkt; anderzijds geven wij toe dat wij niet weten wat wij moeten doen – en dat wij ons moeten laten verrassen en de vindingrijkheid van de verspreide actoren in de samenleving moeten belonen. Een tweede dilemma houdt in dat wij heen en weer geslingerd worden tussen de hoop op een geduldige en trage hervorming die ons de pijn van radicale omwentelingen bespaart, en de door anderen geuite vrees dat wij, omdat de zaken niet snel genoeg gaan, snel moeten overgaan tot radicale oplossingen.
Deze dilemma’s moeten worden overwonnen. De overgang van sociale innovatie sturen betekent verandering aanmoedigen, begeleiden – maar zonder noodzakelijkerwijs de details van elke stap op voorhand te kennen. Het betekent ook dat men weigert zich te verzetten tegen radicale veranderingen. Wij moeten ophouden schijnbaar bescheiden veranderingen, kleinschalige collectieve experimenten, tegenover de grote omwentelingen in onze samenlevingen te stellen. Overgang is een kunstvorm die meer muziek is dan architectuur. Men moet niet alleen letten op de uiteindelijke constructie, maar ook op het model waarnaar men streeft. Bij een overgang is elke stap van belang, zelfs de kleinste: elk microproject is belangrijk in wat het anderen kan leren. In een partituur is het niet alleen de laatste noot die telt: elke noot draagt bij tot de harmonie van de partituur.
Dus, vandaag, La Première, NRJ, DH Radio; Le Soir, La Libre, La Dernière Heure; RTL-TVI, Plug RTL, RTBF? Wat maakt het uit? Onder de illusoire vrijheid om je « media » te kiezen ligt het feit dat alle opties die je kunt maken hetzelfde zijn, ondanks de weinige zichtbare verschillen in vorm en inhoud. Want achter de schijnbare verschillen propageren zij allen dezelfde unieke versie van de wereld, blijven beperkt tot dezelfde mogelijkheden, begrenzen het onmogelijke zodra de stilzwijgende grenzen die niet overschreden worden, overschreden worden.
Als we hen zouden zien, lezen en horen, zou er nooit iets fundamenteel veranderen aan de wereld zoals hij is: de vernietiging van de natuur door onze levensstijl, de overinvestering in productieve arbeid, de ontkenning van het lijden dat daaruit voortvloeit en het ontbreken van reflectie over zingeving, ellende en ongelijkheid, de stigmatisering van de werkloosheid die de werkgelegenheid onvermijdelijk met zich meebrengt, het ontbreken van iedere vraagstelling over de technologie van het moment, enz. « In de ogen van de meeste journalisten is de « moderne » wereld intrinsiek goed (…) niets negatiefs (uitbuiting, onderdrukking, massale werkloosheid, oorlogen, verspilling van menselijke en natuurlijke hulpbronnen, enz.) is werkelijk toe te schrijven aan de essentie van het kapitalisme »[note]. Er lijkt een totaal gebrek aan twijfel te bestaan over de religie van de groei en het hyperconsumentisme dat daarvoor nodig is. Het zou genoeg zijn om alleen maar palliatief te zijn – wat komt van het Latijnse « bedekken met een mantel »! – het kwaad dat het systeem creëert.
Waarom bent u, wanneer u besluit La Libre te kopen in plaats van Le Soir, RTBF te kijken in plaats van RTL, in feite niet vrij om te kiezen? In plaats van deze verschillende media te zien als een soort ongedifferentieerde kaste van kwaadwillende journalisten, is het zinvoller te kijken naar de eigendom van deze media[note], de sociologische samenstelling van hun redacties en het reclamemedium dat zij vertegenwoordigen. Vanaf dit punt is in alle redacties dezelfde ideologie terug te vinden: die van de markt als koning en de consumptie als maatschappijmodel.
1. MEDIAGROEPEN: GLIMLACH, JE BENT OMSINGELD!
Waarom zouden deze massamedia ons de instrumenten verschaffen om deze wereld te begrijpen, als het risico voor hen is dat tegelijkertijd hun onterechte voordelen en bevoorrechte positie zullen verdwijnen? Het zou hetzelfde zijn als de tak afsnijden waarop ze zitten. Laten we het dan maar zeggen: deze mediagroepen kunnen de overgang naar een fatsoenlijke samenleving niet verdragen!
De Belgische media – waaronder de drie dagbladen La Libre, Le Soir en La DH – zijn geconcentreerd in verschillende grote groepen die ook radiostations, televisiekanalen, websites, distributeurs en productiebedrijven bezitten en rechtstreeks gelieerd zijn aan banken, persagentschappen, verschillende multinationals en indirect aan ultraliberale denktanks en bedrijfslobby’s. Wij zullen ons beperken tot drie daarvan: IPM, Corelio en Rossel.
1. IPM is voor 100% in handen van de Maja Group [note], die op haar beurt voor 100% in handen is van de Compagnie de Développement des Médias, eigendom van de familie Le Hodey, waarvan Axel Miller, voormalig voorzitter van Dexia en huidig baas van D’Ieteren, voorzitter van de raad van bestuur is. IPM NV is eigenaar van twee kranten, La Libre Belgique en La Dernière Heure/Les Sports, alsook van hun regionale edities en websites. De groep bezit 50% van de aandelen van Libre Match, de overige 50% zijn in handen van de Lagardère-groep via haar dochteronderneming Hachette Livre. IPM bezit nog steeds 29% van Audiopresse, die zelf 34% van de aandelen bezit van RTL Belgium (RTL-TVI, Club TTL, Plug RTL), RTL Belgium zelf is voor 66% in handen van de in Luxemburg gevestigde RTL Group, zelf een Luxemburgs mediaconglomeraat dat in 2000 is ontstaan uit de fusie van CLT-UFA en de Britse productiemaatschappij PearsonTV. Audiopresse is ook een holding die eigendom is van de uitgevers van de Belgische Franstalige dagbladpers en beheert een deelneming in de groep RTL Belgium. De IPM heeft nog steeds 13% van het persagentschap Belgain handen; 99,8% van radioTwizz(DHRadio); 52% van Médiascap, dat indirect deelneemt in SARLLibération, de uitgever van de krant Libération. IPM is ook voor 50% aandeelhouder van CourrierInternational EBL, die de Belgische Courrier International uitgeeft, die op haar beurt eigendom is van Courrier International France.
In 2008 had IPM een marktaandeel van 26% op televisie en in 2013 een marktaandeel van 21,73% in de pers.
2. Corelio is een persgroep waarvan de aandeelhouders zijn Mediacore, Cecan, Krantenfonds, VanEik, Vedesta [note]. Corelio bezit 62% van Mediahuis (DeStandaard, Hetnieuwsblad, HetbelangvanLimburg), Médiahuis – dat 19,5% bezit van Belga – dat voor 38% in handen is van Concentra. Corelio bezit ook 29,2% van de aandelen van Audiopresse. Corelio bezit ook 100% van CorelioPublishing, die 25% bezit van Devijvermedia, die zelf eigendom is van Telenet (50%) en WatermanenWaterman… (we stoppen hier voor Corelio Publishing, zie voetnoot 4). Corelio bezit ook 50% van de aandelen in Nostalgie, dat eigendom is van RadioNostalgie France, dat op zijn beurt voor 100% in handen is van de NRJ-groep, waartoe NRJ France en NRJBelgium behoren. Nostalgie bezit ook 50% van de aandelen van de VlaamseRadio Nostalgie, waarvan de andere helft in handen is van de IPM.
De president van Corelio is Thomas Leysen. Deze laatste was voorzitter van het VBO (Verbond van Belgische Ondernemingen, een werkgeverslobby), is thans voorzitter vanUmicore, een groep « gespecialiseerd in materiaaltechnologie », en voorzitter van de KBC. Hij is ook lid van de Europese RondeTafelvan Industriëlen[note], een machtige lobby van de grootste Europese bedrijven.
In 2008 had Corelio een marktaandeel van 10% in radio en 26% in televisie.
3. De Rossel Groep [note]. De voorzitter, Bernard Marchant, is een voormalig belastingadviseur van Arthur Andersen, een Big Five-bedrijf waarvan de reputatie meer verbonden is met het Enron-schandaal, waarvoor het accountantscontroles uitvoerde, dan als krantenuitgever. Hij was vice-president van de Europese IT-groep Olivetti en later algemeen directeur van Beckaert, de wereldleider in metaal. Voor hij Rossel vervoegde, was hij president en algemeen directeur van de Franse groep 9Telecom.
De Rossel Groep (LeSoir, LeSoirMagazine), heeft SudPresse (100%, dit zijn regionale edities), ÉditionsUrbaines (99,5%, Vlan), Imprimeriedes éditeurs(99,95%), waarbij laatstgenoemde 49% bezit van MassTransitMedia (Métro), waarvan de overige 51% in handen is van Concentra. Rossel bezit nog 24,9% van RadioH, dat eigenaar is van Cobelfra(RadioContact, Mint) en Inadi(BelRTL); Radio H is ook (17,54%) in handen van RTLBelgium .Audiopresse, dat 34% van laatstgenoemde bezit, is ook in handen van Rossel (29,34%). Tenslotte bezit Rossel 50% van Mediafin(L’Echo) en 50% van Grenz-Echo (Grenz-Echo), twee structuren waartoe Holding Echos behoort.
In 2008 had Rossel een marktaandeel van 26% op de televisiemarkt en in 2013 een marktaandeel van 21,73% in de pers.
Dan blijft over: – Groupe Roularta[note] , uitgever van Le Vif/L’express, Bizz, Data News, Knack, Sport Foot Magazine, Trends-Tendance, trends.be, le Vlan, RTVM, Canal Z, Télépro;
– De Persgroep: Het Laaste Nieuws, 7sur7.be, De Morgen, De Tijd, L’Echo, Tv familie, Humo, Story, VTM, 2BE, Joe FM, Vacature.com, Regiojobs.be, Autotrack.nl, alle boxen, een telecomoperator (Jim Mobile), enz.
Concentratie in de « vrije » media: zie daar geen particulier belang in!
Het bestaan van drie groepen wekt de illusie van een scheiding die de onderlinge banden verbergt, waarbij IPM via La Libre Match (Paris Match Belgium) banden heeft met de Franse groep Lagardère, maar ook, via Audiopresse, een bloedverwantschap onderhoudt met de Rossel-groep (die met name Le Soir uitgeeft), die ook gedeeltelijk eigenaar is van RTL Belgium. Een vreemde nabijheid tot het Luxemburgse belastingparadijs (zetel van de RTL Group), waarop Corélio ook kan bogen. De drie groepen bezitten 34% van RTL Belgium (RTL-TVI, Club RTL en Plug RTL), d.w.z. meer dan een derde, via hun deelneming in Audiopresse (29% voor IPM, 29,2% voor Corelio, 29,34% voor Rossel, d.w.z. meer dan 87% in totaal). Het zou dus niet te veel gevraagd zijn van journalisten van de DH, Le Soir of La Libre in het bijzonder, om iets slechts te zeggen over de private zender: cross-interests oblige! Evenmin is het waarschijnlijk dat zij voor hun lezers gaan verduidelijken tot welke structuren zij behoren. Deze kruisparticipaties zijn ook een gelegenheid om elkaar te ontmoeten en de investeringen in de toekomst te verhogen.
De mediasector is dus perfect opgenomen in het ruimere economische veld waarvan de voornaamste regel die van de winstgroei is, de enige en echte godsdienst. Het is in dit geval onmogelijk om zichzelf de tijd te geven die nodig is om de informatie objectief te verwerken. De referentieaandeelhouders hebben duidelijk belang bij de status quo vanwege hun rijkdom en hun strategische positie in belangrijke instellingen van de samenleving » [note].
2. SOCIOLOGISCHE SAMENSTELLING VAN DE REDACTIE
Hoe kunnen de dominante media, gezien hun structuur en werking, vermijden de stem van de machtigen te bevoordelen ten nadele van de volksmassa’s? Het spreekt voor zich dat als Bernard Marchant, de grote baas van Rossel, die eigenaar is van Le Soir in het bijzonder, vindt dat « de voorbereiding voor het management in de opleiding van journalisten onvoldoende is », zal hij, net als de andere persbazen, niet koste wat het kost proberen journalisten in dienst te nemen die echt hun best doen om hun lezers zo objectief mogelijk te informeren[note]. Voor Marchant en de logica van het management, in de configuratie van een medium, is de lezer/luisteraar/kijker een product dat ter beschikking moet worden gesteld/verkocht aan zijn klant, de adverteerder, zodat hij consumeert wat in de advertentie wordt aangeprezen. De krant/TV/radio dient als presentatiemedium voor de advertenties, en brengt het onderwerp dus in contact met de advertentie.
Maar de selectie van journalisten is subtieler dan dat en behoeft geen gezichtscontrole bij de ingang van de interviewkantoren. Het vindt reeds plaats in de opleidingsplaatsen, aangezien de school ook haar sociale sortering heeft gedaan tijdens de eerste 15 jaar van het onderwijs. François Ruffin, student aan het gerenommeerde Franse opleidingscentrum voor journalistiek, legt uit: « Onder ons waren geen kinderen van arbeiders, spoorwegarbeiders of kassiers. Noch Black noch Beur uit de « no-go areas »…) Een sociale segregatie die nog wordt versterkt door opsluiting: we leven onder elkaar. We zijn in gesprek met de perschefs en andere leidinggevenden ».[note]die vaak aanleiding geeft tot « banaal klassenracisme » bij de behandeling van verslagen [note],« Onder onze veren wordt de gevestigde orde niet in vraag gesteld – op het gebied van onderwijs, financiën, rechtspraak,… –die ons, het is waar, tot nu toe goed gediend heeft.« [note]
Journalisten staan dus heel ver van de arbeidswereld af en zij begrijpen snel dat in hun carrièreperspectief een te grote betrokkenheid bij de werkelijkheid voorbode is van toekomstige problemen en dus niet bevorderlijk is in termen van een « carrièreplan ». Degenen die « slagen » zijn dus degenen die de toestand van de wereld onderschrijven, door de neoliberale doxa door te geven onder het mom van een neutrale en objectieve behandeling – zonder ooit toe te geven dat zij aan deze doxa deelnemen. Er is geen gebrek aan voorbeelden. Op 20 oktober 2015 schreef Béatrice Delvaux in haar hoofdartikel « Un pari dangereux » (Een gevaarlijke weddenschap), waarin ze de vakbondsacties in Luik en op de spoorwegen interpreteerde:« De vakbondsleiders (…) Zij spreken van « geïsoleerde acties », gevoed door de groeiende ontevredenheid van de werknemers over de opeenstapeling van « asociale » maatregelen van de regering. Marc Goblet [NDLR secrétaire général de la FGTB] weigerde gisteren deze acties te veroordelen en gaf het beleid van de federale regering de schuld van het ontstaan van de brand. Dit is duidelijk een gevoel ».. De reacties van de werknemers op de regeringsmaatregelen zijn niet meer dan een « gevoel », een subjectieve toestand waarvoor geen echte objectieve basis bestaat; verwende kindereisen, aldus de media. Vakbondsleden zouden zich dus alleen rustig mogen uiten tijdens geplande en toegestane demonstraties. Of tijdens « sociaal overleg », een term die de illusie van eerlijkheid wekt bij de hoofdrolspelers die « partners » zijn geworden, een fata morgana van niet-bestaande gelijkheid die alle symbolische en materiële macht van het kapitalisme (en dus ook de positie die de media in deze structuur innemen) ontloopt. Als de demonstranten te ver gaan, spelen zij degenen die zij tegenwerken in de kaart, want de journalist heeft nooit in de gaten dat hij of zij degene is die willekeurig de grenzen bepaalt die niet mogen worden overschreden. En dit spel, waarvoor hij de regels maakt, lijkt hem goed te liggen.
Dit doet ons denken aan het interview van Xavier Mathieu, vakbondsafgevaardigde bij de CGT-Continentale, door David Pujadas op het France 2 journaal. De journalist stelt hem vragen nadat de werknemers hun woede hebben geuit over de beslissing van de rechtbank om hun verzoek om de sluiting van hun bedrijf te annuleren, af te wijzen:
David Pujadas: « Goedenavond Xavier Mathieu, jij bent de CGT afgevaardigde bij Continental in Clairoix. Natuurlijk begrijpen wij uw ongerustheid, maar is dit te ver gegaan? Heb je spijt van dit geweld? »
Xavier Mathieu: « Je maakt zeker een grapje? We hebben er geen spijt van… »
David Pujadas: « Ik stel je de vraag. »
Xavier Mathieu: « … Nee, nee, wacht. Wat wil je dat ons spijt? Wat? Een paar kapotte ramen, een paar computers naast duizenden gebroken levens? Wat stelt dat voor? We moeten hier stoppen, we moeten stoppen. »
David Pujadas: « Voor jou heiligt het doel de middelen. »
Xavier Mathieu: « Wacht, ‘het einde’… We zijn 28 dagen verwijderd van het einde, meneer. Ons wordt verteld dat over 28 dagen [images de saccage reprises en parallèle] het sociaal plan klaar zal zijn en we op straat zullen staan. Ja, ja, ik heb nergens spijt van. Niemand heeft spijt van iets hier, want je zag, je zag geen relschoppers, je zag boze mensen, vastberaden mensen, mensen die niet willen gaan en ontmanteld worden, om te sterven. We willen niet sterven. We zullen tot het einde van onze strijd gaan. We hielden het vijf weken vol. Vijf weken lang slaagde ik erin, we behielden, we slaagden erin om mensen te behouden. Het is voorbij, mensen willen het niet meer. De regering heeft ons beloftes gedaan. Hij verbond zich ertoe van meet af aan, binnen drie dagen, een tripartiete vergadering bijeen te roepen. Het is al een week aan de gang. Sindsdien hebben we ons gerealiseerd… »
« Xavier Mathieu, we horen je woede, maar roep je op tot kalmte vanavond?«
Xavier Mathieu: « Ik roep nergens toe op. Ik doe geen beroep op kalmte. Mensen zijn boos en die boosheid moet geuit worden. Er is een gezegde uit de laatste demonstraties dat zegt: « Wie ellende zaait, zal woede oogsten ». Dit is wat ze vandaag hebben. Er zijn meer dan 1.000 gezinnen die op straat zullen komen te staan, die over 23 maanden zullen sterven met niets meer over, die gedwongen zullen worden hun huizen te verkopen. Jullie moeten dat allemaal begrijpen. We willen niet sterven… »[note].
Ook al is deze onvoorwaardelijke verdediging van de werkgelegenheid, een leitmotiv dat door het hele politieke spectrum loopt, volledig in tegenspraak met een project voor een globale verandering van de maatschappij die ook de sociale en ecologische dimensies zou omvatten, toch moeten wij het politieke en mediageweld aan de kaak stellen en laten zien wie het dient. En het is tijdens rellen en ongewone massale woede dat de klasseverachting van journalisten zich des te heviger manifesteert, ongetwijfeld omdat zij de instemming hebben van een deel van de bevolking dat zij het hele jaar door tegen het andere uitspelen. Deze klassenreflex is des te gemakkelijker voor journalisten omdat zij meestal uit de middenklasse komen, verscheurd tussen de hogere en lagere klasse, altijd in een ambivalentie, een tussenin, « in die zin dat zowel de hogere klasse als de arbeidersklasse het voorwerp zijn van zowel een vorm van fascinatie als van een vorm van afstoting ».[note]. Gevangen in deze tussenpositie stigmatiseren zij vaak de sociale bewegingen en geven zij de oproepen tot kalmte van de werkgevers door.
Prolos, hou je mond! Kijk naar The Voice en zet je stem uit!
Dus natuurlijk, « Als we met de baraki’s moeten praten, zullen we met de baraki’s praten.« Het is veel beter voor de adverteerders en hun klanten als de baraki’s hun sociaal-economische positie behouden (zodat de adverteerders en hun klanten die van hen ook behouden…), of met andere woorden, als onwetendheid en armoede blijven bestaan: dat zorgt voor betere kopers! Deze woorden van RTBF nieuwsdirecteur Jean-Pierre Jacqmin spreken boekdelen over de primaire rol die hij toekent aan de publieke media. Sommige journalisten hebben dit begrepen:« Er wordt ons duidelijk gevraagd het niveau te verlagen omwille van de kijkcijfers« [note]. Adverteerders zullen programma’s die te ingewikkeld of controversieel zijn en die de « beschikbare hersentijd » van het publiek kunnen verminderen, eerder vermijden.[note]. Zij zijn op zoek naar licht amusement, dat overeenstemt met de primaire functie van de programma’s: de boodschap van de verkopers verspreiden[note]« . Wanneer komt het volgende seizoen van Plus belle la vieuit? Snel genoeg, zodat het niet bij de barakken opkomt om het leven voor zichzelf mooier te maken… Intussen heeft Béatrice haar pen geslepen en geleerd de fataliteit te aanvaarden (slagen van december 2011: « Stakingen, die begrijpelijk zijn, zullen de realiteit en de wreedheid van deze crisis niet veranderen« ), het tegen elkaar uitspelen van de een tegen de ander in het grotere belang van de werkgevers (« »Het land ligt stil tot Kerstmis. »De hel van de reizigers is begonnen« ), het spectaculaire creëren dat verdeelt (« La grève provoque la deuxième heure de pointe la plus embouteillée de 2015″, Le soir, 20/10/2015, 1e artikel op de pagina van de site in de namiddag alsook op de site van La Libre dezelfde dag: « Spoorwegstaking: het op één na drukste spitsuur van 2015″), en de nadruk leggen op wat de strijd kan verdelen in plaats van op wat de strijd moet verenigen: Deze maandagochtend was deze zoveelste verstoring van het treinverkeer genoeg om de pendelaars, wier treinreis vaak op een hindernissenparcours lijkt, te irriteren. Als je daarbij de wisselende stakingen optelt – die betekenen dat je niet één dag, maar meerdere dagen krijgt, gezien de geringe omvang en de onderlinge verbondenheid van het grondgebied(Le Soir, redactioneel van 20/10/2015).
Intussen moeten we blijven doen alsof we – met de hulp van een communicatiebureau – een « vrije media » zijn, los van elk commercieel belang[note] en dat als ik het lees« ik het goed zie » (Een prachtig oxymoron! Clair le Soir…). Maar als je doet wat je niet zegt – de belangen van de rijken verdedigen – moet je doen alsof je doet wat je niet doet – de lezer objectieve informatie bieden – en de illusie verkopen in de vorm waaraan je het meest gewend bent: de reclameslogan. Zo voert Le Soir, via het reclamebureau Air, een « campagne »:« Le Soir, je lis donc j’agis! Didier Hamann, redactiedirecteur van Le Soir, legt uit: « Wij willen dat Le Soir evolueert naar een meer burgerlijke positie. We willen niet alleen (Sic) informeer .We willen mensen ook de sleutels geven om actie te ondernemen. (…) Wij zijn ervan overtuigd dat onze lezers niet langer passief willen zijn en wij hopen dat zij door ons te lezen tot actie zullen willen overgaan.Het klinkt bijna als het manifest van een nieuwe revolutionaire partij. De redactrice keert echter snel terug naar de basis: « Wanneer mensen vandaag consumeren, zijn ze op zoek naar merken die sterke waarden uitstralen die in overeenstemming zijn met wie ze zijn en waarin ze geloven. Waarden, ok, maar als het kan « bij het consumeren ».(…bij voorkeur de producten die in Le Soir worden aangeprezen). De mis wordt opgedragen. In een poging om vakbondsleden strategisch advies te geven, komen zij er in feite op neer dat zij de grenzen die door de media worden gedefinieerd, vastgesteld en gerespecteerd, niet mogen overschrijden: « Het is begrijpelijk en legitiem dat werknemers maatregelen afwijzen die zij als ongelijk en dus onaanvaardbaar beschouwen, maar de vakbonden moeten ervoor waken het tegendeel te creëren van wat zij nastreven. (…) « deze – voorlopig onaangekondigde – snelwegblokkade is niet iets wat de populariteit van de vakbeweging consolideert ». (Le Soir, 20/10/2015). Het zijn de vakbondsmensen die de oorzaak zijn van hun eigen impopulariteit, nooit de media… U kunt dus handelen, maar niet te veel, want de waakhonden denken dat het beter is « uw sterke waarden te tonen » aan de kassa van de supermarkt, maar vergeet niet de kaart uit te nemen. In de gelederen kameraden! « Iedere burger heeft het recht zijn afkeuring over politieke besluiten uit te spreken. De manier waarop de protesten op maandag werden « georganiseerd » is echter werkelijk schandalig. » (Redactioneel van La Libre, 20/10/2015). Niet allemaal worden ze op dezelfde manier veroordeeld, zoals de Nationale Loterij, die via alle media wordt verkocht, en die ons uitnodigt om « schandalig rijk » te worden…
Verwacht in dit verband geen pagina’s die de woede van het volk zouden verklaren en legitimeren. Zoals door Acrimed (Frans kritisch observatorium van de media) wordt verklaard, « deze vooringenomenheid van de media ten gunste van de bezittende klassen en de door hen gedomineerde instellingen wordt bereikt door de strijd zelf te verdoezelen en door de arbeidersklasse expliciet te stigmatiseren wanneer zij de slechte smaak heeft om in opstand te komen[note].Dit gebrek aan perspectief voedt onbegrip en haat jegens de ander – wat op zijn beurt de krantenkoppen voedt!
3. RECLAME EN DE NOODZAAK ERVAN
Alexandra DIEU
Zolang Bernard Marchant en anderen « bewustmaking van het belang van de rol van reclame in onze samenleving en in het bijzonder voor onze respectieve beroepen« De lezer wordt beschouwd als een product dat de krant in contact brengt met de adverteerder, die haar klant is, waarbij de informatie en de zorg voor de kwaliteit ervan van weinig belang zijn ten opzichte van deze hoofddoelstelling[note].
Dit is een marketingprincipe dat het Belgische mediabedrijf dat « ruimte commercialiseert op RTBF 1 en 2 (in het bijzonder) » goed kent en ijverig de methoden van neuromarketing toepast: « Ga voor de kleine. Bereid je doelwit voor. Markeer het zo snel mogelijk op het voorhoofd. Alleen het kind leert goed (…) Fabrikanten van sigaretten en frisdranken weten dat hoe vroeger het kind proeft, hoe meer het verslaafd zal zijn. De neurowetenschap heeft bedrijven de ideale leeftijden geleerd waarop een bepaalde leerervaring het meest waarschijnlijk zal plaatsvinden..[note]
Men zou verwachten dat de Conseil Supérieur de l’Audiovisuel (CSA), die geacht wordt de media in de Federatie Wallonië-Brussel te reguleren, zich tegen dit alles zou verzetten. Afkomstig uit politieke partijen of zelfs de reclamewereld, roept de samenstelling van de leden enige twijfel op over haar mogelijke onpartijdigheid. Zo is Sandrine Sepul, lid van de Raad voor Vergunningen en Controles van de CSA, niemand minder dan de directeur van de Conseil de la Publicité,« samengesteld en gefinancierd door de beroepsverenigingen van de drie partners in de reclamecommunicatie, d.w.z. de adverteerders, de communicatiebureaus en de verschillende reclamemedia« [note]. Belangenverstrengeling? Maar nee… zou je een samenzweringstheoreticus zijn om zo te denken?
Het speciale geval van RTBF: in de arena van de concurrentie gegooid
Hoe zit het dan met de RTBF, tot nu toe – nog steeds – een publieke zender[note]? Gevangen in een concurrentiële omgeving, geleid door managers, geïnstrumentaliseerd door politieke partijen, onderworpen aan het dictaat van de cijfers en de kijkcijfers, gekoloniseerd door de reclame-ideeën van de RMB (Belgisch mediabedrijf), blijft er voor de RTBF niets anders over dan te doen wat de anderen doen.
Het is dan ook moeilijk om het niet in verband te brengen met dezelfde cijfermatige logica, aangezien het zijn programma’s op RTL-TVI formuleert – nog afgezien van de concurrentie met de Franse zenders[note] – en heeft zijn ogen gericht op de ratings resultaten, een ware religie, van zijn particuliere buurman. En het moet gezegd dat onze toenmalige regering van de Franse Gemeenschap in dit opzicht RTL-TVI een grote dienst heeft bewezen, en aldus de openbare zender die ze geacht werd te beschermen ernstig heeft benadeeld. RTL Group, gevestigd in het belastingparadijs Luxemburg, is eigenaar van RTL-TVI, waarvan de lokalen zich fysiek in Brussel bevinden. Het eerste kanaal van de Federatie Wallonië-Brussel, maar een Luxemburgs kanaal! Dankzij een wettelijke regeling die werd aanvaard door de toenmalige minister van Cultuur Fadila Laanan, die een samenwerkingsprotocol met Luxemburg had ondertekend. Wat verandert dit? Wel, het is dat Luxemburg, hoe zal ik het zeggen? een beetje zoals zijn fiscaal beleid, minder voorzichtig is met reclame. De zender hoeft zich dus niet te houden aan de Belgische reclamevoorschriften, ondanks zijn nationale omroep[note]…
De RMB, een « multimediaal » reclamebureau, klaagt hier niet over, aangezien zij de advertentieruimte van de RTBF op de markt brengt, maar hetzelfde doet voor NRJ, La Première, Pure, Be TV, AB3, de websites van My Tf1, de DH, de Libre… conformisme in de illusie van pluraliteit. En de CSA, die geacht wordt ons te beschermen door de kwaliteit van de media te controleren, bespeelt deze pluraliteit op bewonderenswaardige wijze. Een grote groepering waarvan de leden afkomstig zijn uit de verschillende hierboven beschreven instanties, de pagina’s van hun website die de verschillende mediagroepen voorstellen (IPM, Rossel, Corelio, enz.) worden niet vermeld onder de misleidende rubriek« Het media-aanbod en het pluralisme in de Franse Gemeenschap ». Aangezien particuliere organisaties hetzelfde lidmaatschap hebben, zien wij geen pluraliteit, tenzij zij het definiëren als een diversificatie van lichamen die onafhankelijk zijn van hun eigenaars en die zich vermengen en dezelfde belangen en ideologie delen. Zoals Alain Accardo zegt, « Het bestaan van een basisconsensus sluit integendeel een zeker pluralisme van meningen niet uit (die door de pers in scène worden gezet, waardoor ze meer realiteitszin krijgen dan ze(…)Deze verscheidenheid belet niet dat de bourgeoisie, klein en groot, nieuw en traditioneel – waarbinnen journalisten tegenwoordig als beroepsgroep een sterke positie innemen – een gemeenschappelijkewensdelenom de bestaande orde te handhaven« .[note]
In afwachting zal zij, om haar verplichtingen als publieke zender na te komen, doen wat zij kan, bijvoorbeeld door de oprichting van RTBF3, een medium dat haar in staat zal stellen haar permanente educatieve functie te vervullen, maar waarvoor bij de beheerders van de publieke zender een diep gebrek aan belangstelling bestaat.
4. WIE ZIJN DE ECHTE BAZEN VAN DE JOURNALISTEN?
De hierboven beschreven mediaconcerns zijn in handen van enkele van de rijkste families. Een kleine ranking[note]?
De familie de Nolf en de familie Claeys (Roularta): 134.913.000 euro en 58.960.000 euro (116e en 240e Belgische fortuin)
Familie Van Thillo (De Persgroep): 1.066.410.000 € (18)
Familie Hurbain (Rossel): 155.707.000 euro (100)
Familie Thomas Leysen (Corelio): € 45.564.000 (308)
Familie Baert (Concentra: 45.800.000 € (305)
Elizabeth Mohn (vice-voorzitter van het Bertelsmann-concern, eigenaar van RTL-groep): 3,5 miljard dollar[note]
Met betrekking tot IPM die eigendom zijn van de familie Le Hodey, hebben wij geen informatie gevonden over het welvaartsniveau van de eigenaars. We weten echter dat Axel Miller, voorzitter van de raad van bestuur van de Maja-groep (eigenaar van IPM), op dat moment ongeveer 170 000 EUR per maand verdiende bij Dexia:[note].
Verbaasd u zich dan nog over bepaalde opiniestukken, zoals dat in La Libre van 6 januari 2014, naar aanleiding van een door de vakbonden georganiseerd bezoek aan Brussel om te laten zien waar het fiscaal beschermde grote geld woont, waarin de journalist schreef: « Aan de vooravond van het weekend hebben vakbondsleiders een « safari » door Brussel gemaakt, een minitrip die bedoeld was om de « beschermde belastingsoorten » van Brussel in het licht te stellen. Leuk? Nogal triest…(…) de systematische stigmatisering van de « rijken », zoals die door de vakbonden wordt bedreven, is betreurenswaardig. Dus wat, je moet gewoon arm zijn om eerlijk te zijn…? Een land heeft rijke mensen nodig. Om te investeren, om risico’s te nemen. Het systeem moet ervoor zorgen dat de rijken, en anderen, er belang bij hebben hun geld in de reële economie van het land te investeren in plaats van elders op zoek te gaan naar hoge rendementen. Niet de rijken zijn verantwoordelijk voor de crisis, maar de tovenaarsleerlingen die van de gebreken van het systeem gebruik hebben gemaakt om het te laten ontsporen« . […]
Natuurlijk zullen wij niet in de hand bijten die ons voedt, hoewel sociologische analyses van het journalistieke veld en een relatieve kennis van psychologische verdedigingsmechanismen ons in elk geval doen inzien dat zij daar in de meeste gevallen niet eens aan zouden denken.
En het telt allemaal op. Béatrice Delvaux, hoofdredactrice van Le Soir, voormalig stagiaire bij het Internationaal Monetair Fonds (IMF), die het boek schreef over Albert Frère (het grootste fortuin van België en een van de grootste fortuinen ter wereld) « Albert Frère. De zoon van de spijkerhandelaar« In het boek wordt opgemerkt dat « deopbouw van een sterk en veroverend kapitalisme (sic) moet worden aangemoedigd, waardoor hetvoortbestaan kan worden verzekerd van ondernemingen die hun beslissingscentrum in het land houden« . Amen!
Deze propaganda, dagelijks herhaald, is doeltreffender dan dwang. Soms doen alsof ze storen met zogenaamde subversieve rapporten en programma’s die er alleen maar zijn om consensus te creëren: meer rijken, meer armen, meer klasse! Gewoon individuen met verschillende interesses en meningen. Nooit stellen zij het probleem radicaal ter discussie, nooit bieden zij verklaringen die ons in staat zouden stellen de toestand van de wereld te begrijpen; nooit verklaren zij wat de woede van de mensen beweegt. Reeds tijdens de rellen in Seattle heeft Béatrice Delvaux, de huidige hoofdredactrice van Le Soir, ons geleerd op de juiste manier te denken:« het radicale ‘nee’ tegen de globalisering is onhoudbaar in een wereld waarin de consument dagelijks gebaren maakt die bedrijven buiten hun grenzen brengen« . En als u het niet begrepen had:« de markt blijft de meest efficiënte manier om het economische leven te organiseren – niet in het minst omdat alle andere hun grenzen hebben laten zien ». Dit was op 2 december 1999[note].
OM AF TE SLUITEN, EN DE DEFINITIE TE SCHETSEN VAN WAT EEN ECHTE MEDIA IS[note]
Meneer Iou
Wat kunnen we hieruit concluderen? Degenen die de media bezitten, die verondersteld worden de wereld duidelijker voor ons te maken, wat veraf is dichterbij te brengen, ons te helpen begrijpen, ons te laten ervaren wat niet direct toegankelijk is voor onze zintuigen, zijn in feite lakeien van de macht, bestuurders van banken en grote automerken; leden van ultraliberale en machtige denktanks, van werkgeversfederaties, leden van grote families, het bezit van de belangrijkste media verzekert hen van een controle van het denken onder het valse voorwendsel van een pluraliteit van oppervlakten.
De werkelijkheid die ons door de media wordt voorgeschoteld is dus een puur verzinsel dat hen zo goed mogelijk moet beschermen. « Men kan zeggen dat de media-voorstelling van de wereld, zoals die dagelijks door journalisten wordt gefabriceerd, niet laat zien wat de werkelijkheid werkelijk is, maar wat de heersende en bezittende klasse gelooft dat zij is, wenst dat zij is of vreest dat zij zal worden. Met andere woorden, de media en hun personeel zijn niet meer dan de min of meer gewillige en ijverige instrumenten die de heersende klasse nodig heeft om haar hegemonie te verzekeren. Als zodanig moeten deze instrumenten worden ontmanteld en krachtig en meedogenloos worden bestreden – iets wat de organisaties van institutioneel links, die de klassenkritiek hebben afgezworen en altijd bereid zijn een pact met de vijand te sluiten in naam van republikeins decorum, politiek realisme en de noodzaak in de media te bestaan, helaas niet doen.« [note].
Ik zou hieraan willen toevoegen dat zelfs onder degenen die geen pact met de vijand sluiten, er in een wereld waarin het beeld zo belangrijk is geworden, een voortdurende zoektocht is naar het « mediamoment ». Zij die streven naar een andere samenleving zien soms, paradoxaal genoeg, hun heil alleen in termen van zichtbaarheid in de massamedia. Toch staan deze in schril contrast met de aspiraties van hen die een fatsoenlijke samenleving nastreven. Denken ze dat ze een minuut op de voorpagina hebben gewonnen, zijn ze in feite de grote verliezers[note].
Deze permanente en schadelijke antidemocratische organen moeten worden ontmanteld en meedogenloos worden bestreden, terwijl andere media moeten worden gecreëerd om de verdediging van de waarheid en de stem van het volk te ondersteunen. Zonder dit, moet men geloven dat de strijd niet tot iets wezenlijks zal leiden…« een massabeweging zonder enige steun van de media, die moet vechten tegen een resoluut vijandige pers, is op zijn zachtst gezegd gehandicapt… » [note] .
Zoeken naar wat zij vertegenwoordigen is een enorme tijdverspilling. Met dergelijke structuren kunnen de massamedia de mechanismen van uitsluiting niet ophelderen en geen echte verandering teweegbrengen door kritisch te denken. Wij zien dus dat de media die zich proberen voor te doen als eenvoudige getuigen die een werkelijkheid beschrijven, deze werkelijkheid vanuit het niets creëren: door ervoor te kiezen een stukje informatie weg te laten, hun aandacht te richten op een feit, werken zij een mediabeeld van de wereld uit dat slechts de schijn ervan is. Door de wereld verdraaid te zien, kunnen wij niet handelen, in tegenstelling tot wat hun slogans zeggen.
We kunnen wachten tot ze veranderen. Of onze eigen media live maken. De keuze is aan ons.
Naar onze mening moet een echt nieuwsmedium aan de hand van andere criteria worden onderscheiden:
– niet afhankelijk te zijn van structuren die de media gebruiken als een ideologisch instrument om hun belangen te dienen, zoals hierboven is aangetoond;
– niet worden gefinancierd door reclame, zelfs niet door niet-commerciële organisaties zoals NGO’s;
– niet om vreedzaam naast de dominante pers te bestaan, maar om er een radicale kritiek op uit te oefenen en de werking ervan bloot te leggen;
– radicaal zijn in zijn benadering van de feiten, d.w.z. het probleem bij de wortel aanpakken;
– de waarheid te zoeken en de objectieve behandeling van de informatie zo dicht mogelijk te benaderen, zonder zich bepaalde onderwerpen te ontzeggen onder het valse voorwendsel dat zij vooruit willen lopen op de reactie van de lezers (een vals argument dat verhult dat het veeleer de reactie van de aandeelhouders en de adverteerders is waarop de redacteuren vooruitlopen).
De bloedbaden van januari en november in Parijs waren geen toeval. De destabilisatie van Syrië, die het aangekondigde doel had het regime van Bashar Al-Assad omver te werpen, is uitgemond in een duistere operatie, waarbij aanvankelijk steun werd verleend aan alle oppositiekrachten, met inbegrip van de toekomstige « Islamitische Staat ». De evolutie van de laatste maanden is dramatisch, aangezien de salafisten nu het hele spectrum van de oppositie tegen het huidige regime domineren. Maar dit succes van de terroristen kwam niet uit de lucht vallen: het was gebaseerd op een aanzienlijke militaire capaciteit, een bloeiende economie binnen de zogenaamde Islamitische Staat, en een bijzonder doeltreffend propagandamiddel in het buitenland. De salafistische terroristische propaganda berust zowel op een sterke operationele capaciteit, met de productie van honderden video’s per jaar, als op een analyse van de beoogde « ontvangers », namelijk de internetgebruikers, die gedesillusioneerd zijn door deze wereld, verleid door wanhoop en gewelddadige actie.
Nu Google geconfronteerd wordt met de webpropaganda van de salafisten, en klaar staat om de macht over te nemen van de westerse staten die machteloos lijken te staan, neemt Google het heft in handen. In 2013 hadden twee van de meest prominente leiders, Eric Schmitt, de voormalige CEO, en Jared Cohen, hoofd van Google Ideas, hun anti-oproerbeleid al onthuld. Want de webreus beweert ook de erfgenaam te zijn van de « nationale veiligheidsdoctrine » die strategen van het Pentagon dierbaar is en die sinistere herinneringen oproept in Latijns-Amerika, waar zij tienduizenden moorden en verdwijningen heeft veroorzaakt.
In hun veelgeprezen essay in de Verenigde Staten, The New Digital Age[note]De twee Google-mannen legden uit dat staten in het nieuwe digitale tijdperk te maken krijgen met vijanden, de « revolutionairen » en de « terroristen », die nu op een veelheid van vlakken opereren, zowel fysiek als virtueel: « Connectiviteit zal de manier veranderen waarop we oppositiegroepen in de toekomst zien. Zichtbare organisaties en partijen zullen in elk land actief blijven, maar de overvloed aan nieuwe spelers op het virtuele publieke plein zal het activistische landschap van boven naar beneden herconfigureren[note] Google, een bijzonder effectief instrument om de wereldbevolking in kaart te brengen, zoals we weten van het Prism/NSA-schandaal in 2013, heeft zijn eigen ideeën over wie de nieuwe terroristen zouden kunnen zijn: « Met hun nieuwe toegang tot de virtuele ruimte en de bijbehorende technologieën, zullen individuen en groepen over de hele wereld in staat zijn om het moment te gebruiken om oude grieven of nieuwe zorgen, met kracht en overtuiging, te propageren. Veel van degenen die deze vlammen zullen ontsteken zullen jong zijn, niet alleen omdat veel van de landen die zich aansluiten een ongelooflijk jonge bevolking hebben […], maar ook omdat de mix van activisme en arrogantie onder jongeren universeel is. Zij zijn ervan overtuigd dat zij weten hoe zij problemen moeten oplossen, dus zodra zij de gelegenheid krijgen om een openbaar standpunt in te nemen, zullen zij niet aarzelen.
Men kan de finesse van de gedachte waarderen: de jeugd is de demografische voedingsbodem van het nieuwe terrorisme. Naarmate terroristen nieuwe methoden ontwikkelen, zullen terrorismebestrijdingsstrategen zich daaraan moeten aanpassen. Gevangenneming is niet voldoende om een terroristisch netwerk in te dammen. Regeringen moeten bijvoorbeeld besluiten dat hette riskant is voor burgers om « offline » te blijven, los van het technologische ecosysteem. In de toekomst kunnen we er, net als nu, zeker van zijn dat individuen zullen weigeren om technologie in te voeren en te gebruiken, en niets te maken willen hebben met virtuele profielen, online databases of smartphones. Een regering zal ervan uit moeten gaan dat iemand die zich helemaal niet aan deze technologieën houdt, iets te verbergen heeft en waarschijnlijk van plan is de wet te overtreden, en die regering zal, bij wijze van anti-terroristische maatregel, een lijst van dergelijke verborgen personen moeten opstellen. Als u geen geregistreerd virtueel sociaal profiel of abonnement op een mobiele telefoon hebt, en als uw online geloofsbrieven ongewoon moeilijk te vinden zijn, dan moet u in aanmerking komen voor opname in deze lijst. U zult ook worden onderworpen aan een reeks strikte nieuwe voorschriften, waaronder een strenge identiteitscontrole op luchthavens en tot reisbeperkingen[note]. De noodtoestand is volgens Google-directeuren dan ook gewoon de normale toestand waarin de wereld nu verkeert.
Dit alles zou een slechte droom kunnen lijken als Google het niet tegelijkertijd voor terroristen in spe gemakkelijker zou maken om de propaganda te vinden die hen zal afstompen – in de sterkste zin van het woord: « in bruten veranderen » – en hen ertoe zal aanzetten massamoorden te plegen. Zo levert de zoekopdracht naar het videospel « Flames of War » 37 miljoen webpagina’s op via de Google-machine. Maar het blijkt dat de video waarin de zogenaamde Islamitische Staat wordt aangeprezen, ook Flames of War heet, zodat hij een beetje moeilijk te vinden is op de sites van videospelletjes. Google helpt de terrorist in de leer ook met zijn beroemde zoeksuggesties: zodra je « vlam » intikt, verschijnt de suggestie « vlammen van oorlog isis » of « vlammen van oorlog islamitische staat », en leidt dus onmiddellijk naar salafistische propaganda.
Het zou echter mogelijk zijn deze video te censureren, zoals de vertrouwelijke metaengine Ixquick doet, waarschijnlijk alleen.
Men kan niet beweren dat men terroristische propaganda bestrijdt en deze tegelijkertijd bevorderen. Maar wat inconsequent lijkt bij Google, is eigenlijk volkomen consequent. Het is immers duidelijk dat Google een graantje wil meepikken van het wereldwijde contraterrorismebeleid, en zijn eigen terrorismebestrijdingsdeskundigen wil leveren, louter op grond van zijn kennis van de praktijken van onoplettende internetgebruikers die een niet-vertrouwelijke motor gebruiken. Dit is een fascistisch streven en een fundamentele aanval op de democratie. Door zijn hypocriete gedrag zal Google in feite alleen maar versterken wat de echte voedingsbodem voor het salafistisch terrorisme vormt: niet de jeugd, maar de afkeer van de wereld van de machtigen, waarvan dit Amerikaanse bedrijf een van de beste incarnaties van onze tijd is.
Philippe Godard
Auteur van Mythe de la culture numérique, uitgegeven door Le Bord de l’eau, 2015.
Het Artivist Collective, dat de « speelse revolutie » wil verspreiden, neemt deel aan de opstand van het bewustzijn om nieuwe economische, politieke en sociale systemen te creëren. Het zijn geen predikers, maar eerder een groep die zich definieert door sympathieke subversieve actie. Zij zijn niet de begeleiders van het systeem, de onwrikbare « positivisten » die de boot vergezellen wanneer deze zinkt en ons vertellen dat hij zal blijven drijven, of dat hun kleine acties in de marge de boot weer boven water zullen brengen. Nee ! Ook al hebben zij, zoals iedereen, hun tegenstrijdigheden, zij willen lachen door onvermoeibaar de absurditeit aan de kaak te stellen van deze wereld die voor ons wordt gemaakt en die in deze onzekere tijden tot het uiterste wordt gedreven. Ontmoet twee leden van het Collectief met een lach!
Kairos: Jullie presenteren jezelf als Artivisten, vinden jullie dat kunst niet langer subversief is en ook volledig gerecupereerd is?
Nicolas: Ja, de kunst is duidelijk gerecupereerd. Wat ons onderscheidt is de activistische kant waaraan wij zeer gehecht zijn, en door deze kant zijn wij moeilijker te herstellen, ook al worden er altijd pogingen ondernomen.
Je zou kunnen zeggen dat kunst vroeger protest was, ik denk aan jazz in de Verenigde Staten als een voertuig om te vechten tegen rassenscheiding.
Pierre: Maar jazz was geen kunst. Ik denk niet dat ze kunst wilden maken. Louis Armstrong, op zijn 18e zat hij in de gevangenis, hij was een schooier uit New Orleans, hij zei niet tegen zichzelf « Ik wil kunst gaan doen ».
Moeten we onszelf dat vertellen?
Pierre: Om je vraag te beantwoorden, voor mij is kunst niet subversief, het kan geweest zijn, maar ik geloof er niet in. Vroeger waren het de koningen, de hoven die de kunstenaars financierden. Frank Lepage legt het goed uit[note], bijvoorbeeld Jack Lang in 81, Frans minister van Cultuur, onderschreef het idee dat cultuur gelijk staat aan kunst: mensen hebben geen cultuur. Kunst gaat over deskundigen die hedendaags spul maken en die absoluut geen politiek discours mogen voeren, die hoogdravende dingen doen maar zonder enige inhoud. Artivisme gaat juist over het herverbinden met de politieke kant van kunst, het herverbinden of vestigen…
Nico las: Kunst is het meest subversief als ze het minst politiek is. Dat wil zeggen dat kunst het meest subversief is wanneer zij het meest natuurlijk is, wanneer zij de mensen in de eenvoud van hun emoties zal duwen.
Pierre: De hedendaagse kunst is ook verbonden met een vorm van hyperexpertise, er is een vorm van onteigening van cultuur die iets gezamenlijks zou moeten zijn, dat van ons allemaal is, in hetzelfde mechanisme als mensen het begrip ontnemen van wat nucleair is of GGO’s.
Je hebt het veel over de speelsheid van artivisten. Maar de consumptiemaatschappij is leuk: Ipads, Playstations, reuzenschermen, …, het is leuk!
Pierre: Precies, de kapitalistische maatschappij is zo verleidelijk dat er volgens mij maar één manier is om ertegenin te gaan, namelijk een ludiek, cultureel alternatief, van de verbeelding. Het is niet de bedoeling zich te verzetten tegen het noodzakelijkerwijs geconstrueerde discours, want daarvan zijn er overal te veel. Het werkt niet meer.
Het is niet « anti », dan.
Nicolas: Het hangt ervan af, soms zijn we in protest, doen we blokkades, enz., en dan zijn er andere momenten waarop we de symbolen van deze maatschappij gaan omleiden zodat de mensen zich vragen stellen over deze absurditeit van het systeem waarin we ons bevinden.
Pierre: Dat is eigenlijk waar artivisme om draait. Er zijn genoeg anderen die dit doen. Het onthullen van absurditeit en het voorstellen van andere denkbeelden is misschien wat het artivisme kenmerkt, of wat het ook is dat we proberen te doen. We willen geen monopolie op artivisme, er zijn andere mensen die dat doen.
Weet je zeker dat je dat had moeten zeggen?
Pierre! We zeiden dat het gezegd moest worden! (lacht)
Over namen gesproken, hoe is het artivisten collectief tot stand gekomen?
Pierre: Het is ontstaan uit de wil van mensen die al aan activisme deden en die iets leukers wilden doen, die drie of vier mensen hebben ontmoet en het collectief hebben gelanceerd.
Maar om terug te komen op wat we eerder zeiden, ik geloof dat dit speelse aspect de essentie is van artivisme. Anders gezegd, ik denk dat kapitalisme erg speels is, erg verleidelijk, en de vraag is altijd « hoe gaan we overtuigen? Wat wij doen kan werken als het zich verspreid, als mensen het overnemen. Mijn overtuiging is dat we ons moeten verzetten tegen een ander, sterker geluk. En dit is wat de verbeelding kan doen. Werelden projecteren die leuk zijn, speels, cool, die uitnodigen tot « ja, ik wil… »…
Die ook collectief zijn, want kapitalisme is individueel verleidelijk, maar…
Pierre: Absoluut. Dit te kunnen laten zien is al prachtig, het opent deuren naar anderen denk ik, en naar zichzelf.
Nicolas: Je hebt ook de vreugde van het leven en de banden die ook een ongelooflijke motor zijn om artivist te blijven en te blijven strijden tegen de wereld waarin wij leven. Ik denk dat als het niet voor deze kant van het protest was, het erg vermoeiend zou zijn.
Je spreekt er een beetje over op de site, bijvoorbeeld over de « liefdesdrums » om een beetje vrolijkheid en levensvreugde in de linkse en vakbondsdemonstraties te brengen…
Nicolas: We hebben het gisteren gedaan voor de Indignados. Het is een waar genoegen om mensen op straat te laten dansen en deze levensvreugde te verspreiden, duidelijk, rechtstreeks, door middel van muziek.
U zei dat het moeilijk was je te verzetten tegen de verleidelijke kracht van het kapitalisme. Ik vraag me af of je soms niet denkt dat dit de laatste lach is voor de grote catastrofe? Of zijn er manieren om andere mogelijkheden te openen?
Nicolas: De grote catastrofe, ik denk dat die er al jaren is. Als je kijkt naar wat we de laatste dertig jaar in de media hebben gezien, hebben we nog nooit zoveel sombere nieuwsberichten en zoveel deprimerende dingen gezien.
Pierre: Ik denk dat het nuttig is, ook al is een ramp voor mij bijna onvermijdelijk. Maar zelfs als het gebeurt, denk ik dat het niet nutteloos zal zijn geweest om van tevoren andere denkbeelden voor te stellen, in plaats van te wachten op de muur en de chaos.
Nicolas: Ik denk ook dat artivisten erg verankerd zijn in het heden. Ik denk dat we geen langetermijnvisie hebben zoals veel andere verenigingen hebben.
Pierre: Het is heel normaal omdat wij omgekeerd te werk gaan: wij gaan uit van acties, voor het grootste deel over onderwerpen die wij niet goed kennen. Wij beginnen niet met een gedachte naar aanleiding van lezingen; wij zeggen tegen onszelf « daar is een conferentie », daar is iemand die het voorstelt, het lijkt grappig, het is best amusant omdat wij het onderwerp nog niet goed kennen, wij documenteren ons en daar leren wij veel. Ik wil weten waarom ik hier ben, en dat is tijdens opgebouwd, dus we zijn in het heden.
Nicolas: En bij veel artivisten heb je na elke actie een gedragsverandering.
Het is een omgekeerde beweging, het is eerder actie die leidt tot theorie. Maar je hebt wel een politieke visie op lange termijn, anders zou je niet naar de autoshow gaan om de mythe van de auto te verdedigen… Kun je verankerd zijn in het heden en deze visie hebben?
Nicolas: Dat hangt af van elke artivist, want we hebben geen gemeenschappelijke langetermijnlijn. Wij gaan actie ondernemen tegen het lobbyen, tegen Coca-Cola, maar wij gaan niet zeggen wat er op lange termijn moet worden gedaan tegen het lobbyen, tegen Coca-Cola. Het is gewoon dat we denken dat het niet zou moeten bestaan.
Pierre: Dat is het, dat is onze eerste veroordeling. Dat is waarom we zelden alleen werken. Met CEO (Corporate Europe Observatory), bijvoorbeeld, hebben we acties ondernomen op het gebied van lobby’s. We hadden een toespraak nodig, maar we wisten dat we geen tijd hadden om die te produceren.
Pierre: Onder artivisten zijn er verschillende persoonlijkheden, verschillende leeftijden, wat bijzonder is omdat groepen gewoonlijk eenvormiger zijn. Het resultaat is dat er zeker jongens zijn die in verenigingen werken en die heel goed weten waar ze zijn, en naast hen heb je 17-jarige kinderen die komen om plezier te maken en die betrokken zijn bij thema’s, maar die niet in dezelfde realiteiten verkeren. Maar het is nog steeds de actie die verbindt.
Nicolas: De noodzaak van actie. Het is een mooie reis, er zijn ook veel verschillende verlangens en het leidde tot het project van het droogtoilet, een concrete actie in een netwerk met Worms; je hebt ook de Ritmes van het Verzet, een samba in Brussel, de clownsbrigade, …
Je zei dat je met veel verenigingen verbonden was, wat is de externe kijk op artivisten: zijn het veilige clowns of verontrustende demonstranten?
Pierre: We zitten de hele tijd op het randje om te proberen de ene kant op te gaan en niet de andere.
Hebt u concrete gevallen waarin u hebt gestoord en andere waarin u dacht « we dachten dat het zou storen », maar waarin het niet het verwachte resultaat had?
Pierre: Ja, ik heb een zeer recente, het is de rechtse demonstratie. Groot succes tussen aanhalingstekens, waarbij de media zelfs luisterden naar onze instructies om niet op voorhand « de bonen te morsen ». Kortom, een geweldig resultaat! En een paar dagen later, viel het me op, was er een persconferentie hier in het « Huis van de Vrede » over landroof en het hele boerenlandbouwproject, en er was absoluut niemand aanwezig.
Nicolas: …dus als je de media belt over een serieus onderwerp dat miljoenen mensen in de wereld aangaat, is er niemand, en als je iets leuks voorstelt, komen alle media, allemaal omdat het voor hen een show is.
En paradoxaal genoeg verkoopt het?
Pierre: Ja, het verkoopt.
Nicolas: Ik denk dat deze actie ons ook in staat stelt iets te doen wat wij graag doen: mensen destabiliseren en hen misschien op een andere manier doen denken, buiten alle kaders die wij hen momenteel voorhouden. Het is niet alleen de clown uithangen, het is niet alleen de wens om een eikel te zijn op straat, het is ook een benadering die er is om voor bezinning te zorgen.
Ik zou willen ingaan op deze wens om de manier waarop we naar een sociaal probleem kijken te veranderen. Wanneer zal er een parodie op een linkse demonstratie worden gehouden om hun driften, met name die van het productivisme, aan de kaak te stellen?
Nicolas: (lacht) Je hebt zeer rijke ideeën. Je moet naar het artivisten collectief komen.
Ja, dat zou kunnen. Het doet me denken aan de rechtse demonstratie, waar de eerste kritiek is dat het een beetje een links/rechts karikatuur is. We hadden erover nagedacht, we wilden dat ook vermijden en we zijn er niet slecht in geslaagd denk ik, maar het is super ingewikkeld, dit zijn super fijne boodschappen om over te brengen. De media is niet onder controle. Trouwens, ik ben nog steeds bezig met deze kwestie van de media, want dat is eerlijk gezegd ons werk, dat proberen we te doen, we denken er veel over na. Dat is de kern van wat we willen doen, is de media zelf ontmantelen.
Nicolas: Om nog eens over de linkse partijen te spreken, er zijn twee dingen in de demonstratie die me schokten. We spraken eens over degrowth met een kerel die links was, een kleine kerel van een partij, en hij gaf me precies dezelfde neoliberale argumenten die we horen om ons af te breken, d.w.z. hij zei tegen me « je wilt de degrowth van derde wereld landen ». Dus het is waar dat ze ook karikaturaal moeten zijn. En de tweede keer werd ik tijdens een bijeenkomst van verontwaardigden voor fascist uitgemaakt omdat ik hem verzocht zijn vlag te verwijderen, aangezien wij daar als burgers waren en niet als politieke partijen.
Maar ik denk dat we op dit niveau ook verdeeld zullen zijn binnen het collectief voor dit soort acties die erop gericht zijn linkse acties, linkse demonstraties of linkse partijen te karikaturiseren. Ik denk dat we het er binnen het collectief duidelijk allemaal over eens zijn dat de PS, mainstream links, helemaal geen links is…
Pierre! Of Ecolo!
Nicolas: …daar is iedereen het over eens…
Minder mensen zijn het er dan over eens dat de « radicale » linkse partijen productivistisch zijn.
Pierre: Het is misschien minder duidelijk.
Nicolas: En het is waar dat achteraf de keuze tussen het karikaturaal maken van links en het voeren van een actie daartegen, het voeren van een actie ter ondersteuning van mensen zonder papieren, die het op dit moment hard nodig hebben, of het richten op rechtse partijen, ik denk niet dat er een foto is. Als we wat meer tijd hadden, zouden we het misschien doen, maar nu…
Het is interessant omdat u mijn vragen vaak beantwoordt door te zeggen dat iedereen een andere mening heeft, maar tegelijkertijd bent u een collectief dat erin slaagt te overleven met verschillende standpunten van zijn leden.
Pierre: Er wordt niet gezocht naar een gemeenschappelijk discours. Er is nooit een vergadering waar we zeggen « nu moeten we zeggen dat we afnemen ».
Heb je zin om jezelf een vraag te stellen, zomaar?
Nicolas: (Lacht). Dat is jouw werk….
Pierre: … kom op, ik heb er een: « denk je dat we nog nooit een tastbaar resultaat hebben gehad van een actie die we hebben ondernomen »?
Nou, zie je, het werkt!
Nicolas: Dat is een individualistische vraag die je jezelf stelt (lacht)!
Trouwens, hij wil dat je hem geruststelt. (lacht)
Nicolas: Ik herinner me dat Coca-Cola op de groene week zijn nieuwe plastic fles kwam tonen, prachtig, aartsbiologisch afbreekbaar, voor een totaal verbijsterd publiek, maar het deed het niet en veranderde totaal zijn toespraak bij de voorstelling van zijn conferentie. We hadden onze toespraak voor….
Pierre: Hij durfde dat ding niet naar buiten te brengen en hij zei: « Ik ga niet zeggen dat we groen2 zijn ».
Het is makkelijk om in een schuldgevoel verzeild te raken. Probeer je dit te vermijden in je acties?
Nicolas: Onze acties zijn niet rechtstreeks op de mensen gericht, in het collectief proberen we niet om mensen een schuldgevoel aan te praten omdat we dan zouden moeten zien waar het probleem vandaan komt.
Pierre: Ik zou willen zeggen dat ik er geen moeite mee heb Gabola, de directeur van Coca, een schuldgevoel aan te praten, met deze mensen moet je gaan. Ik vind het geweldig dat deze mensen, die altijd op rode lopers staan, die hun hele leven handen schudden, die in restaurants zitten, die bedwelmd worden door de maatschappij, in hun gezicht te horen krijgen « je bent shit ». Ik vind het geweldig.
Nicolas: Het is een groot plezier om de kleine smeervlek te zijn op dit mooie neoliberale blauw.
» Wij leven in een nogal onaangename wereld, waarin niet alleen de mensen, maar ook de gevestigde machten er belang bij hebben ons droevige affecten over te brengen. Droefheid, droevige affecten zijn al die dingen die onze kracht om te handelen verminderen. De gevestigde machten hebben ons verdriet nodig om slaven van ons te maken. De tiran, de priester, de zielenpikkers, moeten ons ervan overtuigen dat het leven hard en zwaar is. De machthebbers hoeven ons niet zozeer te onderdrukken als wel angstig te maken… » Gilles Deleuze, 1977.
22 maart. Niets van wat ons vandaag overkomt is een verrassing. En waarschijnlijk ook niets dat volgt. Naast het verdriet, de woede en de angst die ons overweldigen, is het gevoel van hulpeloosheid dat dit soort drama’s telkens weer oproept misschien nog wel het ergste. Juist omdat het zo voorspelbaar was, omdat er niets wordt ondernomen om de loop der dingen te veranderen, omdat afgezien van de gekken die zich midden in de menigte opblazen en voldoende talrijk zijn om ons niet aan het eind van de gruwel te laten staan, de gekken die ons regeren geen seconde van plan zijn hun beleid ter discussie te stellen, een einde te maken aan hun oorlogen en hun onschuldige dagelijkse slachtoffers, die best goed uitkomen zolang ze ver van ons afstaan, onzichtbaar, naamloos en gezichtsloos zijn. Ook denken deze brandweerlieden niet na over de sociale onrechtvaardigheden in onze samenleving. Integendeel, zij sporen ons aan niet na te denken, enkel te handelen op basis van emotie en wraak, de escalatie voort te zetten totdat « oorlog » niet langer een woord is dat in een koekjesdoos wordt gebruikt, maar een realiteit die zich werkelijk overal zal hebben verspreid en onze samenlevingen diepgaand zal hebben veranderd.
24 maart. Al twee dagen lang is de mediastroom onafgebroken. Ik logde in bij het minste geluid van helikopters en politiesirenes. Daarbij werd ik herinnerd aan de tijd van de moorden in Waals-Brabant in het begin van de jaren tachtig en de psychologische gevolgen daarvan. Als kind was ik geschokt, maar niet getraumatiseerd. Dat waren andere tijden: internet bestond nog niet en televisiezenders onderbraken hun programma’s niet non-stop om informatie uit te zenden. Je moest wachten tot het einde van de film om een speciale flits te krijgen. De moorden waren willekeurig, onvoorspelbaar, dicht bij huis, maar er was een manier om de dingen in perspectief te plaatsen. Vandaag de dag wordt het trauma van de aanslagen grotendeels versterkt door de behandeling in de media. Geïnformeerd zijn houdt in dat men zijn hersens confronteert met een permanente live verslaggeving, met de afwezigheid van een terugblik en analyse, met sensatiezucht, met ongeverifieerde informatie die rondgeslingerd wordt zonder zelfs maar het voorwaardelijke te gebruiken. Om nog maar te zwijgen van de onderbemiddeling van belangrijke gebeurtenissen zoals de schandalige overeenkomst met Turkije (die de facto een einde maakt aan het asielrecht en de positie van Europa als belegerd fort versterkt), waarvan de implicaties grotendeels zijn overschaduwd door de jacht op de verdachten van de aanslagen in Parijs en Brussel.
Als we de sirenes en helikopters niet kunnen uitschakelen, is het een kwestie van geestelijke gezondheid geworden om ons op zijn minst te onttrekken aan de voortdurende stroom van nieuwssites, tv, sociale netwerken en hun angstopwekkende effecten. Behoefte aan respijt, afstand, om zichzelf goed te doen, om weer te kunnen handelen en dat te doen, om elkaar « in het echt » te zien en te spreken.
2 april. Naar de Beurs gaan voor een anti-racistische manifestatie, een week nadat 400 voetbalfans onder leiding van enkele neonazi’s door dezelfde plaats paradeerden en op dezelfde dag dat een extreem-rechtse groep een demonstratie in Molenbeek aankondigde. Om te vernemen dat alle betogingen vandaag verboden zijn in het Brussels Gewest. Om ter plaatse een politiemacht te ontdekken die veel groter is dan de som van de potentiële betogers, toeschouwers, toeristen en mensen die zich verzameld hadden voor de spontane herdenking voor de trappen van de Beurs. De voorzitter van de Liga voor de Rechten van de Mens werd gearresteerd alleen omdat hij er was. Dat is gedaan.
Gefilmd door politieagenten in burger. Ze zeiden dat je weg moest gaan. Voldoen. Ga naar een café in de buurt, ga op het terras zitten, neem een drankje. Getuige zijn van de soms gewelddadige arrestaties van tientallen mensen die zich vreedzaam gedroegen, niet met spandoeken zwaaiden of slogans scandeerden. Dat is gedaan.
De politie omsingelt het terras van het café, terwijl ze de extreem-rechtse activisten die zich op het terras van de tegenoverliggende Ierse pub hadden verzameld, met rust laat. Zoek een schuilplaats in het café. Klanten werden gecontroleerd op identiteit, sommigen werden meegenomen naar de toiletten om gefouilleerd te worden, en vervolgens werden bijna allen geboeid met halsbanden en gearresteerd. Dan zien we politieagenten het café binnenkomen en mensen arresteren die rustig zitten te drinken. Om aan dit alles te ontsnappen net zo willekeurig als anderen zijn gearresteerd… Dat is gedaan.
De volgende dag zag ik de voorzitter van de Liga voor de rechten van de mens op de set van de openbare televisie, opgeroepen om zijn aanwezigheid op de beurs te verklaren en ervan verdacht een « publiciteitsstunt » te hebben georkestreerd door zich te laten arresteren, door journalisten die niets zeiden over de omstandigheden van deze arrestatie die nochtans tientallen andere personen betrof. Twee weken later werd bekend dat de voor dit besluit verantwoordelijke politiecommissaris, die zich ook bij tal van andere gelegenheden heeft onderscheiden wegens geweldpleging en massa-arrestaties van « linksen », voornemens was een klacht in te dienen tegen de voorzitter van de Ligue des droits de l’homme, die zich in zijn ogen schuldig had gemaakt aan het feit dat hij publiekelijk kritiek had geuit op zijn houding. Ook dat is gebeurd.
De pers, die de traditionele partijen verdedigt zolang zij zich kan herinneren, staat klaar om al diegenen uit te stoten die zullen worden verkozen door het volk dat teleurgesteld is in de gebruikelijke partijen (MR-CDH-ECOLO-PS en hun Vlaamse tegenhangers). De waakhonden zwaaien dus zonder matiging met de vogelverschrikker van de « extremen »: van rechts en van links, zonder enige verklaring te geven over wat de groei van het electoraat van beide zou kunnen hebben veroorzaakt, maar vooral door in de geest van de toeschouwer sluipenderwijs een toenadering tussen de ene en de andere te associëren… dus een beetje hetzelfde. Op 19 mei plaatste Le Soir, naar aanleiding van een peiling over de stemintenties waaruit bleek dat de PTB en het Vlaams Belang de derde partij zouden kunnen worden in respectievelijk Wallonië en Vlaanderen, een foto van Raoul Hedebouw, woordvoerder van de PTB en federaal volksvertegenwoordiger, op de voorpagina met als kop : » De opkomst van de extremen . Wat ze zeggen is duidelijk » pas op kleine mensen, als je dichter bij extreem links komt, word je een beetje een fascist ! Blijf kalm, stem zoals voor en vergeet je intenties ».
Zij zullen echter niet zeggen dat de verschuiving naar links iets relatiefs is, vooral omdat hun referentiepunt – de regering – anders is dan de centrum naar rechts te verplaatsen, waarbij de subjectieve indruk aan deze logica beantwoordt. Niet tevreden met het vermijden van complexe verklaringen, beperken de media hun analyse tot de « crisis ». verlies van vertrouwen in de traditionele partijen » en noem het gevolg » serieus « Dit is het resultaat van de slechte intentie om « iets anders » te willen kiezen (zoals de Franse weigering van het Europees Grondwettelijk Verdrag in 2005), of het nu rechts of links is, zonder onderscheid : « deze afwijzing heeft een sterk communitaristische ondertoon : het zuiden stemt altijd meer naar links, het noorden meer naar rechts « . De » goede keuze « Dit is een van de vier ‘traditionele’, ook al hebben ze ons gebracht tot waar we nu zijn, door te zorgen voor parlementsleden, ministers, burgemeesters die alleen maar werken voor de vernieuwing van hun functie en het salaris dat daarbij hoort Ook al zijn ze allemaal min of meer betrokken bij corruptie, ze gebruiken meer dan vaak dezelfde methoden als de draaideuren[note], leven als prinsen en de bevolking onder het juk van repressie en bezuinigingen plaatsen.
Dat komt omdat de massamedia, de multinationals, de werkgeversorganisaties, de regering en de partijen hetzelfde willen : verandering met continuïteit, d.w.z. dat de rijken niets kan worden afgenomen en dat de door de groei van de winst gedicteerde koers van de wereld blijft zoals hij is. De dominante orde wordt altijd verdedigd door de media, die haar voortdurend uitdragen : » een land heeft rijke mensen nodig « (La libre, 6 januari 2014) ; » de markt blijft de meest efficiënte manier om het economische leven te organiseren » (Béatrice Delvaux in december 1999, in Le Soir, die sindsdien niet is opgehouden met haar propaganda).
De protesten moeten daarom worden uitgevoerd in het kader van de « sociale dialoog » en de bezuinigingsmaatregelen » noodzakelijk » moeten vreedzaam worden aanvaard. Alles wat ingaat tegen de kapitalistische werking van het sociale lichaamssysteem wordt gediagnosticeerd als een handicap, waarbij het medisch-sociale vocabulaire van de impotentie wordt geleend, de nieuwe taal van de werkgevers : » De Belgische lonen blijven dalen.Lde loonhandicap [en gras dans le texte] De kloof tussen ons land en onze naaste buren is groter geworden. Een nieuwe hervorming is nodig ? » (Le Soir, 14 februari 2013)…terwijl stakingen, betogingen, protesten, geweld als reactie op staatsgeweld, gebreken zijn, disfuncties die, door hun toevallige verwijzing, weigeren de vraag te stellen naar de oorzaak ervan. In het slechtste geval zal hun opkomst worden gezien als het resultaat van slechte communicatie door de autoriteiten…
Het volk moet zwijgen, ervan overtuigd zijn dat het kan spreken en er geen zin in heeft; het moet zijn ongenoegen beperken – want woede is af te raden, eigen aan een wispelturige geest die zich niet kan beheersen – en eisen stellen als het dat wil, maar binnen een ruimte en een tijdsbestek die door de machthebbers zijn vastgesteld. Wat valt er te klagen voor deze kleine mensen, wier leden altijd de hellingen van de liberale samenleving kunnen nemen die hen op hun beurt in staat zullen stellen naar de top te stijgen en de hoogten van de rijkdom te bereiken ? Wat heeft hij degene te verwijten die het gedaan heeft, is hij jaloers ? De « Arabier » of de » prolo » die « slagen » worden zo de symbolische figuren die, zoals in de loterij ( » En als jij het was » ; » Wie is de volgende » ; « Lotto, schepper van kansen « …), aan de rest bewijzen dat » het mogelijk is « , waarbij de nadruk op » het voorbeeld » de extreme zwakheid van de waarschijnlijkheid verdoezelt.
JIJ KAN HET OOK!
Is het leven niet geweldig ? In Molenbeek, in een « D+ » school (lees « positieve discriminatie », nu overgenomen als « gedifferentieerde begeleiding » in de nieuwe nieuwetaalterm), probeert men het protest de kop in te drukken door koningin Mathilde in grootse stijl te sturen om te luisteren naar de toespraken van » zij die geslaagd zijn « [note]Bovendien bedraagt de sociaal-economische index van de leerlingen -0,30, terwijl hij in het gewoon middelbaar onderwijs +0,08 bedraagt.[note]) of afhaken, waardoor degenen die er niet in slagen hun aandoening te overwinnen, zich schuldig voelen en van hen de enige oorzaak maken: je had moeten werken, kerel ! De ondergeschoolden worden aldus institutioneel geproduceerd en verdeeld op de markt van ondergekwalificeerde banen ten dienste van de werkgevers en de aandeelhouders die hun segregatie stroomopwaarts hadden georganiseerd.
Niet geïnformeerd over wat er werkelijk aan de hand is, speelt het subject het spel, geniet ervan, een soort substituut voor het democratische leven
Om de ladder te beklimmen zal de subalterne blijk moeten geven van wilskracht, van een geest van verovering, van die motivatie die voldoende lijkt te zijn en de determinismen van geboorte en sociale klasse zou overstijgen, of men nu de zoon is van een notabele of van een arbeider, en de gemiddelde mens in staat zou stellen « de beste van de wereld » te worden. iemand » van de » zoon van een spijkerhandelaar « (Albert Frère) aan de migrant die ondernemer werd. En om de illusie in stand te houden, de droom te voeden, de teleurgestelden te sussen, zullen wij de » creatie van kansen » organiseren « Dit is het geval met de sterren die kunstmatig worden voortgebracht door de media en hun The Voice, Star Academy, Loft Story… waardoor de inerte massa, wier kansen om toe te treden tot de bevoorrechte kaste even groot zijn als die om de jackpot te winnen, voor het scherm de indruk krijgt de ster van de avond te zijn.
Intussen wordt het peloton gesmoord door zijn verlangen en hoop, door zijn verdovend revolutionair uitstel; door zijn bewondering voor de rijkdom die het zou moeten onteren en waarvan het de vertegenwoordigers zou moeten stenigen. Niet ingelicht over wat er werkelijk aan de hand is, getuige van de partijdige kasten die door de media steeds weer worden getranscribeerd en gecreëerd, speelt het subject het spel mee, geniet het ervan, een soort substituut voor het democratische leven. De onfatsoenlijkheid van een wereld met zijn schandelijke ongelijkheden, de vernietiging van de natuur om de westerse manier van leven in stand te houden, de leegte van de meeste banen, de opmars alsof er niets gebeurd is, de propaganda-instanties van de media die hun werk doen en in een weerzinwekkende litanie het partijdige steekspel beschrijven, de meningen van de » deskundigen « , die ons ervan overtuigen dat hun woordenstroom pas zal eindigen als zij er niet meer zijn… dit alles is echter niet zonder weerklank op het accepterende en onderdanige wezen. Maar hij ziet niet hoe hij het moet doen, hij lijdt, hij voelt zich sociaal nutteloos, maar hij verwacht iets.
Meer dan ooit zullen de massamedia ons in deze donkere tijden proberen wijs te maken dat buiten de gebaande paden denken niet goed is ; dat concurrentie, succes voor jezelf – en het falen van een ander – moeten worden nagestreefd, dat de markt » de meest efficiënte manier om teorganiseren. Zij zijn namelijk van mening dat de woede die diegenen zou kunnen treffen die de gevestigde orde organiseren – politici en captains of industry – het risico loopt zich tegen henzelf te keren, die deze orde altijd in de media hebben gevestigd.
Jean-Louis* werkt al enkele jaren voor de RTBF. Hij werpt licht op de interne werking en de invloed van reclame bij de RTBF.
Kairos: Wat zijn de belangrijkste ontwikkelingen die u bij de RTBF hebt gezien sinds u er werkt? Wat denk jij?
Jean-Louis: Ik zie twee belangrijke ontwikkelingen: het toenemende belang van reclame en de omschakeling naar digitaal, die in 2004 werd bedacht en in 2009 zichtbaar werd. Er zij op gewezen dat de RTBF zich in de voorste gelederen van de technologie bevindt en dat in dit verband belangrijke investeringen in uitrusting en know-how zijn gedaan. Tegenwoordig « reist » veel inhoud (films, series, tijdschriften) tussen diensten in de vorm van computerbestanden en niet meer op cassette. Voor reclame is er niet veel evolutie vanuit dit oogpunt, aangezien het om een specifieke inhoud gaat, die deze weg reeds lang volgt. Dit gezegd zijnde, zou ik niet zo ver willen gaan om te zeggen dat er een domino-effect was: het feit dat de advertentie in de vorm van een bestand onderweg was, betekent niet dat wij besloten hetzelfde te doen met andere inhoud. Anderzijds kan ik zeggen dat de digitalisering en vooral de vermenigvuldiging van diverse IT-instrumenten een direct effect op het werk hebben en het tempo en de druk in veel afdelingen kunnen opvoeren.
Kairos: Kunt u uitleggen hoe reclame RTBF beïnvloedt? Zijn er bijvoorbeeld duidelijke pro-reclame-instructies in omloop?
Jean-Louis: De RTBF maakt zich bijna evenveel zorgen over reclame als de particuliere zenders, ook al is haar financiering voor reclame beperkt in verhouding tot de dotatie (verhouding van 1 op 4). Dit komt tot uiting in de reclamepraktijken, die soms tot sancties leiden, zoals het geval was bij een productplaatsing door een rijstmerk, die door de CSA is veroordeeld.
In mijn werk stel ik vast dat reclame alles bederft bij de RTBF, zowel op TV als op de radio, en dat het vooral in ons hoofd gebeurt. Het is niet nodig zich een vervelende baas, neoliberale managers of een achterlijk management voor te stellen. Zij willen niet het einde van de RTBF of van de openbare dienst, maar zij zijn moderne « progressieven », « sociaal-liberalen ».
Voor hen is reclame net zo natuurlijk als moderniteit… Het zit dus in de hoofden dat het gebeurt, de opmars van de reclame en haar ideologie is diffuus, indirect. In de praktijk zou men bij de RTBF soms kunnen zeggen dat het gemakkelijker is inhoud (programma, serie) te verwijderen dan reclame, omdat reclame « onaantastbaar » is.
Ik heb hier een anekdote over. Een oudere werknemer, die zijn loopbaan was begonnen toen er nog een echt ideaal van openbare omroep bestond, wilde een documentaire niet met reclame versnijden. Enkele jongeren van zijn team antwoordden: « Je hebt reclame nodig om te leven ». Dat is het, het is net als het huis. Er is geen interne memo waarin wordt uitgelegd dat reclame prioriteit heeft, het is veel venijniger omdat het al heel vroeg is geïntegreerd.
Kairos: Hoe verklaar je deze verandering?
Jean-Louis: Het begint al in de scholen voor communicatie en ook op de universiteit, waar ze de hoofden van de studenten vullen met marketingcursussen. Het diffuse karakter van deze « kolonisatie van geesten » is belangrijk. Het is het feit dat deze kolonisatie « diffuus » is dat het sociaal aanvaardbaar maakt… en moeilijk aan te vallen!
Reclame brengt je in een algemene neiging tot consumeren waartegen je nauwelijks kunt vechten en weerstand bieden. Doe de oefening om alle reclames die je in je dag ziet te vervangen door één expliciet woord: « koop », overal te zien, zichtbaar op TV, hoorbaar op de radio in plaats van reclames, en kijk naar de wereld die het zou kunnen worden: zou dat niet intimiderend zijn? Natuurlijk is dat zo! Maar omdat het niet voor de hand ligt, is het moeilijk bezwaar te maken.
De alomtegenwoordigheid van reclame is nu geïntegreerd. Dit ideologische karakter gaat verder dan de werknemers van de RTBF. Het is de hele maatschappij die zich in deze toestand bevindt. Men zal zeggen dat de mensen altijd kunnen kiezen om te consumeren of niet, zonder zich af te vragen of er reclame moet zijn of niet. Ik vergelijk het met het geloof in God in de Middeleeuwen. Of je nu 10 keer per dag bidt of één keer per week, God doordringt de samenleving! Zijn bestaan en aanwezigheid waren zelfs niet betwistbaar!
Een van de belangrijkste elementen om deze evolutie en ideologie te begrijpen is de manier waarop RTBF wordt beheerd. De directeur volgde Solvay, een managementschool. Het zijn managers, ze zijn opgeleid om geen kritische theoretische of politieke lezing te hebben. Voor hen is reclame een parameter als elke andere. Dit is een variabele waarmee rekening moet worden gehouden en die moet worden ontwikkeld om cijfermatige doelstellingen te bereiken. De visie op het algemeen welzijn of de dienstverlening aan het publiek is grondig veranderd en zij beweren dat « het nu eenmaal zo is ». Maar dit is niet natuurlijk.
Naar mijn mening moeten mensen met een dergelijke opleiding, als managers van Solvay, adviseurs zijn, maar geen besluitvormers
Kairos: Denkt u dat deze managementneiging wijdverbreid is in het management? Wat voor invloed heeft het op de werkrelaties?
Jean-Louis: Deze managersgeest is terug te vinden bij RMB [Régie-Média-Belge. Zie Kairos nr. 1] maar in een zeer karikaturale vorm. Bij RMB zijn het pure commerciëlen: hun taak is het verkopen van TV en radio reclameruimte voor RTBF. Aangezien de RMB geld in het laatje brengt voor de RTBF, nemen ze soms de vrijheid om beledigend te zijn voor degenen die er werken. Het is nogal primitief. Maar RTBF is eigenaar van de RMB, niet andersom…
Bij RTBF is de managementstijl piramidaal, we moeten richtlijnen uitvoeren zonder discussie. In besluitvormingskringen geloven zij vaak dat zij boven de strijd staan en beter zijn dan anderen. En toch, is RTBF aan het verbeteren? Idealiter, als je wilt dat een systeem werkt, moet je informatie van onder naar boven laten stromen. Maar bij de RTBF werkt het niet altijd, omdat degenen die er de leiding over hebben vaak bang zijn. Dit is begrijpelijk: over het algemeen wordt elke informatie die naar voren komt door het management als een uitdaging opgevat. Het probleem is dat als je in een organisatie niet luistert naar wat er aan de basis gebeurt, het niet werkt. In feite is dit probleem niet nieuw, maar gezien de huidige ontwikkelingen zal het er waarschijnlijk niet beter op worden.
« Voor haar is het presenteren van het nieuws geen journalistiek, het is gewoon… het presenteren van een show »
Naar aanleiding hiervan is onlangs op de mededelingenborden van de liften een advertentie verschenen waarin staat dat een extern bedrijf is gecontracteerd voor de aanpak van stressgerelateerde problemen. Het is verbijsterend, het zijn de medicijnen – ongetwijfeld erg duur, trouwens – in plaats van reflectieve feedback over de organisatie van het werk. Natuurlijk kan men geen wonderen verwachten.
Kairos: Wat moet er volgens u in de eerste plaats worden gedaan om de zaken te verbeteren?
Jean-Louis: Oufti! Dat is de vraag! De belangrijkste verandering is volgens mij dat er geen managers van het type « Solvay » meer aan het hoofd van de RTBF worden geplaatst. Maar aangezien het de politici zijn die de hoofden van de RTBF kiezen, is het misschien aan hun kant dat de vraag moet worden gesteld.
De jongens van Solvay hebben een visie op openbare dienstverlening die wordt beoordeeld in termen van waardering, kosten/batenverhouding en wettigheid. Kwantificering van dingen, in feite. Voor hen is ethiek de wet en daar houdt het op. Maar de wet kan onrechtvaardig zijn! En als de wet toestaat dat er porno wordt vertoond vanaf 14.00 uur, is het dan OK voor RTBF? En daar maken we gebruik van om advertenties te laten zien?
Wij maken programma’s die bedoeld zijn om reclame aan te trekken, zonder welke wij deze programma’s niet kunnen financieren. Het laatste voorbeeld is natuurlijk « de stem ». De rechten zijn duur, het is een « Endémol » soort product, gecoproduceerd met een extern bedrijf. RTBF maakt dit programma niet alleen. Een van de uitdagingen van « The Voice » is om jongeren weer naar de televisie te krijgen, via de sociale netwerken Facebook en Twitter, die in de show zijn geïntegreerd. En het staat vol met reclame! Het gaat niet de goede kant op.
Kairos: Wat voor soort publieke omroep denk je dat de toekomst in petto heeft?
Jean-Louis: Over het algemeen is de redactionele kwaliteit van de RTBF rampzalig aan het worden.
Het wordt steeds leger van inhoud en steeds voller van ruis en beelden. Het wordt steeds zinlozer.
Ik heb twee nieuws anekdotes te vertellen, om af te sluiten.
Een voormalige Miss België werd geïnterviewd in een Belgisch tijdschrift. Als presentatrice van het weer, zei ze dat ze ervan droomde « ooit het nieuws te presenteren ». Op geen enkel moment leek ze het verband te leggen tussen het presenteren van het nieuws en journalistiek bedrijven. Voor haar is het presenteren van het nieuws geen journalistiek, het is gewoon… het presenteren van een programma, in dit geval nieuws. Dit is een voorbeeld van de evolutie van de media.
Het verschil tussen de opzet van de nieuwsuitzending en de presentatie ervan wordt steeds groter, en de presentator heeft steeds meer macht. Waarom? Omdat het het imago is; hij is niet de redacteur (degene die beslist over de programmering van een nieuwsuitzending), maar hij is het gezicht van de nieuwsuitzending, zij zijn degenen die de kijkcijfers maken. Dit leidt tot situaties waarin de redactie en de nieuwsredacteur bijvoorbeeld minder invloed hebben op de keuze van de onderwerpen dan de presentator. Dit resulteert in een rangschikking van onderwerpen zonder een echte rode draad. Sommige mensen zeggen intern dat ze zich schamen voor RTBF.
De tweede anekdote was enkele jaren geleden. Hugues Le Paige zei: « Toen ik begon, zei mijn redacteur tegen me ‘Hugues, je hebt twee dagen om je verslag te maken’. Vandaag is het bijna het tegenovergestelde. Een journalist heeft één dag om twee reportages te maken!
Voor dit eerste nummer moeten wij u een kort portret geven van Kairos en de context die het verklaart, dit nieuwkomersjournaal waarvan de figuur in de loop van de nummers zal evolueren, zoals elke levende actie.
Eerst de titel. « Kairos » is een Griekse term waarvan de betekenis kan worden samengevat als « het juiste moment om verandering op gang te brengen ». Toen wij deze naam voor onze titel kozen, was Griekenland al in moeilijkheden, overrompeld door de productivistische aasgieren die het volk sindsdien in steeds grotere ontberingen hebben gestort. Dit kenmerk van de titel van de krant lijkt ons uiteraard de betekenis ervan te versterken, die wij ook laden met sympathie voor het Griekse volk.
De ondertitel « anti-produktivistisch tijdschrift voor een fatsoenlijke samenleving » verdient enige toelichting, die u zult vinden nadat wij de doelstellingen van ons tijdschrift hebben uiteengezet.
Een krant die ademt
Kairos wordt uitgegeven door Respire asbl (www. respire-asbl.be), een vereniging die zich in de eerste plaats ten doel stelt de invasie van de openbare ruimte door reclame te bestrijden, teneinde de mensen te waarschuwen voor de gevaren van overconsumptie. Respire is voorstander van het bezwaar tegen groei en in die hoedanigheid publiceert zij Kairos.
Kairos heeft vier complementaire doelstellingen:
Om de stemmen van het anti-productivisme te laten horen en kenbaar te maken tegenover het zwijgbeleid van de media;
-De argumenten van het bezwaar tegen groei verdiepen door beschouwingen en praktijken te voeden met degelijke analyses, getuigenissen en andere onderzoeken, die de impasse van de groei zullen aantonen en huidige en toekomstige alternatieven zullen voorstellen;
-een plaats te zijn van convergentie van analyses en praktijken (met name via getuigenissen) die de overvloedige rijkdom van het bezwaar tegen groei vormen;
-Het boek is een mooi voorwerp, waarvan de esthetische kwaliteit gekoppeld is aan een samenhangende achtergrond die maakt dat je het wilt lezen en verder wilt gaan.
Waarom Kairos?
Wij zullen hier enkele punten verduidelijken die u in het hoofdartikel aan de orde hebt zien komen. De oprichting van een krant lijkt ons om verschillende redenen een democratische noodzaak in de bijzondere context van Franstalig België.
In de eerste plaats is er de algemene verwaarlozing van de pers voor massacirculatie, waarvan de verschillende titels in verschillende mate afwijken van hun informatieve roeping en in de plaats komen van een commerciële functie die erin bestaat de lezer in contact te brengen met adverteerders – van wie zij vervreemd zijn. De massa-journalistiek, die rechtstreeks afhankelijk is van reclame, heeft in haar DNA allang de marketingrecepten geschreven die leiden tot zelfcensuur, media-overkill, het benaderen van potentiële kopers/lezers door scooping, de toenemende verwarring van nieuws en commerciële inhoud, enz. Deze pers leeft van reclame en haar primaire functie, informatie, kan er alleen maar door worden geperverteerd. Deze journalistiek, verre van een « vierde macht » te vormen, sluit het denkkader af en construeert een vertekend « mainstream »-beeld van de werkelijkheid, onder het voorwendsel dat « de verkochte inhoud aan de vraag beantwoordt ». Hoewel wij natuurlijk geen volledig alternatief voor dit soort media kunnen bieden, achten wij het noodzakelijk dissidente kanalen te creëren.
Zeker, er bestaat reeds een opiniepers met een kleine oplage die min of meer tegen de stroom van het mainstream-denken ingaat. Het levert interessante inhoud op, maar voldoet niet aan al onze verwachtingen van een krant en lijkt bepaalde valkuilen niet te kunnen overwinnen.
Ofwel, als deze pers in de buurt komt van wat wij ons voorstellen, dekt zij niet genoeg van de Belgische kwestie. Ofwel wordt er een redactionele lijn gevolgd die geen evenwicht mogelijk maakt tussen de analyse van de onderwerpen en de noodzaak deze met een zekere afstand te behandelen, hetgeen wij zullen nastreven. Als partijdige pers, of zij nu verbonden is met de ecologistische beweging of met radicaal links, kiest zij overdreven voor de ene of de andere kant van de dichotomieën individu/groep, natuur/cultuur. Zo heeft de milieujournalistiek de neiging zich te veel te richten op de individuele kant om een verandering in de samenleving teweeg te brengen, die niet realistisch is omdat er weinig aandacht wordt besteed aan vraagstukken van sociale machtsverhoudingen. De journalistieke stroming die verbonden is met de zogenaamde radicale linkerzijde richt haar aandacht vaak op de ver verwijderde machtsstructuren, waardoor zij soms vermijdt het onderwerp te ondervragen over haar eigen deelname aan het systeem en de ecologie meer oproept uit bezorgdheid om de politieke correctheid dan uit echte bezorgdheid. Wij menen dat getracht moet worden deze verschillende dimensies onder woorden te brengen zonder de ene of de andere te verwaarlozen of tot de ene of de andere te reduceren. In beide voornoemde soorten discours lijkt het zoeken naar de krachten en dynamieken die de huidige situatie en de helling ervan creëren ons onvoldoende. Laten we zeggen dat beiden verankerd blijven in een produktivistische logica en, ondanks de schijn, de wereld zien binnen een vooraf bepaald kader dat niet subversief kan zijn omdat zij spelen volgens de regels die de wereld van vandaag en de crisis waartoe zij leidt, uitmaken. Wij hopen dat Kairos in staat zal zijn elementen van subversieve analyse en denken aan te dragen, d.w.z. die breken met deze logica’s en hun ondoordachtheid, om zo bij te dragen tot de versterking van nieuwe politieke discoursen.
Ons doel is complexe en gearticuleerde gedachten naar voren te brengen en een instrument te bieden voor vraagstelling, analyse en getuigenis. Dit betekent dat de collectieve reflectie die Kairos voedt, niet beperkt blijft tot het theoretische aspect, maar, naar wij hopen, kan dienen als een uitgangspunt dat zoveel mogelijk leidt tot concrete, individuele en collectieve initiatieven. Dit tijdschrift zou dan ook een medium willen zijn dat, door op bescheiden wijze deel te nemen aan de opstand van het bewustzijn waartoe het groeibezwaar oproept, op zijn eigen niveau zou kunnen bijdragen aan het ontstaan van fundamentele veranderingen.
Kairos is niet gericht op een bepaalde « doelgroep », hoewel het wel wat werk zal vergen om uit enge activistische kringen te breken. Onze boodschap is echter gericht aan iedereen en, beste lezer, als u zich geen activist, anti-productivist, of een van de bovenstaande voelt, wel, dan is er een goede kans dat u hier thuis bent! Kairos is geen « goed woord » dat u wil overtuigen, het is een opinieblad dat ideeën, analyses en acties voorstelt die door een groeiend aantal mensen worden gedeeld, maar die onvoldoende bekend blijven. Als u, zoals wij, hoopt op een fatsoenlijke samenleving, dan zijn er nog meer van ons dan we hadden verwacht! Wij verheugen ons op uw feedback, en als u een abonnement wilt nemen om dit vrijwillige tijdschrift te steunen, bent u ook van harte welkom om dat te doen.
Wat zegt Kairos?
Ons tijdschrift is in de eerste plaats anti-productivistisch.
Onder antiproductivisme verstaan wij verzet tegen de illusie dat steeds toenemende materiële produktie leidt tot menselijke vooruitgang, dat de gecombineerde illusies van technowetenschap, ontwikkeling en (economische) groei de weg en de redding van de mensheid zijn. Wij willen de dodelijke logica van « altijd maar meer » en zijn avatar « duurzame ontwikkeling » terugdringen. Het antiproductivisme verzet zich tegen elk productivisme, links of rechts, kapitalistisch of collectivistisch, religieus of niet, dat heil belooft door versnelling en accumulatie, sociale rechtvaardigheid door loonarbeid, het behoud van de natuur, die « milieu » is geworden, door de techniek, de verheffing van de ziel door een wetenschap die niet meer twijfelt.
Wij verzetten ons tegen deze ideologie en tegen de praktijken die er mechanisch uit voortvloeien (zoals de ideologie van de auto en de verstedelijking van de wereld, de stress op het werk, de veralgemeende archivering van gegevens, de veralgemeende concurrentiekracht en concurrentie, de commodificatie van het leven en de sociale betrekkingen, het geweld van de staat, enz.)
Zij is gericht op het zoeken naar en verdedigen van een vriendelijke en fatsoenlijke samenleving.
Een samenleving waarin het samenleven zijn zin vindt in een organisatie die maat zoekt, de broederschap van haar leden erkent, evenwicht nastreeft tussen zichzelf en de Natuur waarin zij bestaat. Deze gezelligheid, zoals bijvoorbeeld beschreven door Ivan Illich, is een theoretisch en praktisch antwoord op de vervreemding van de mens van de machine en van het geld, een tegenvoorstel voor de veralgemeende vervreemding door de techno-wetenschap die ons leven en de wereld tot slaaf maakt. Deze gemoedelijkheid bestaat niet zonder de collectief geconstrueerde autonomie van individuen en volkeren.
Deze gezelligheid kan worden gezien als een andere manier om te spreken over de « fatsoenlijke samenleving », die de tweede term is van de ondertitel die wij aan Kairos geven. Het idee van een « fatsoenlijke samenleving » ligt Georges Orwell, Avishaï Margalit of Jean-Claude Michéa na aan het hart, als u meer wilt weten over deze theoretische grondslagen. Het lijkt ons essentieel omdat, en dit is een van de verwachtingen die wij aan dit idee stellen, iedereen kan voelen wat een fatsoenlijke samenleving is en wat zij niet kan zijn.
Hoewel wij erkennen dat wij schatplichtig zijn aan de auteurs die het idee van een « fatsoenlijke samenleving » naar voren hebben gebracht, plaatsen wij Kairos niet uitsluitend binnen een theoretische stroming, maar eerder in de concrete hoop op het ontstaan van een fatsoenlijke samenleving die het resultaat zou kunnen zijn van volksmobilisatie en -strijd, die naar onze mening elke specifieke intellectuele stroming overstijgt.
Kairos spant zich voortdurend in om actief geweldloos te zijn.
Het gaat ervan uit dat conflicten een noodzaak zijn om samen te leven en vermijdt wat tot geweld kan leiden. Wij zijn dus niet van plan om schandelijke of kleinerende opmerkingen te maken over onze politieke tegenstanders, wier schadelijke acties wij niettemin meedogenloos zullen bestrijden.
Kairos en jij
Het moet ook gezegd worden dat Kairos geheel vrijwillig is, wat niet betekent dat er geen kosten zijn! Het redigeren, drukken en verspreiden van een krant kost geld, en uw financiële steun is niet alleen welkom, maar ook noodzakelijk. Uw giften zullen dankbaar worden ontvangen op de rekening van Respire onder nr. 979-6411697-02.
Kairos is een samenwerkingsproject, dat tot doel heeft de wereld ten goede te veranderen, echt en niet alleen op papier. En als je de wereld wilt veranderen, is het beter om samen te werken! Dus als u op enigerlei wijze en op vrijwillige basis zou willen meewerken, bijvoorbeeld door ons te helpen het tijdschrift te verspreiden en bekend te maken, laat het ons dan weten!
Kairos zal alleen voortleven in de tijd met uw steun, en als u het leest.
De hardnekkige aard van de wereldwijde systeemcrisis dwingt ons na te denken en vervolgens te handelen, zowel met relevantie als met urgentie. Moeilijke oefening! Na duurzame ontwikkeling, welvaart zonder groei, de transitiebeweging en degrowth[note], die altijd op de een of andere manier in actie kwamen, hebben we nu een nieuwkomer. In een tijd waarin de technoprofeten van Silicon Valley van plan zijn de planeet volledig te herconfigureren door middel van convergente technologieën, is de ontdekking van biomimicry een verademing. Dit originele idee is ontstaan onder ecologen die dicht staan bij diegenen die reeds lang pleiten voor het gebruik van hernieuwbare energie. Maar wat voegt het toe, of niet toe? De benadering bestaat erin de mechanismen van het « grote laboratorium » van de natuur te observeren en er vervolgens gebruik van te maken bij (al dan niet industriële) productieactiviteiten, teneinde hulpbronnen en energie te besparen en meer efficiëntie en duurzaamheid te bereiken. Met andere woorden, het bestuderen en respecteren van de « Beginselen van het Leven » zoals die van toepassing zijn op bacteriën, protozoa, schimmels, planten en dieren.
Met de hulp van Michèle Decoust, biedt Gauthier Chapelle, bioloog en landbouwingenieur geboren in 1968, het eerste gepopulariseerde werk in het Frans aan, Het leven als model. De weg van biomimicry (uitgegeven door Albin Michel), met een voorwoord van Nicolas Hulot en Jean-Marie Pelt (1933-2015), geschreven in een levendige stijl! Dit is niet zijn eerste keer. Bij de International Polar Foundation specialiseerde hij zich in de klimaatproblematiek, voordat hij zich de laatste vijftien jaar ging toeleggen op praktische oplossingen door cursussen te volgen bij Janine Benyus, grondlegster van de biomimicry. Om deze kwestie te onderzoeken heeft hij vervolgens samen met onder meer onze collega Raphaël Stevens[note] het adviesbureau Greenloop opgericht, evenals de vereniging Biomimicry Europa, waarbij hij uitlegde dat hij op zoek was naar een radicalere benadering dan die van duurzame ontwikkeling. « Biomimicry verwijst naar die subset van biomimicry die bedoeld is om ons te voorzien van een arsenaal aan technologische en organisatorische hulpmiddelen, waarvan de beginselen door de evolutie zijn beproefd en die ons kunnen helpen bij de overgang die nodig is om onze plaats in de biosfeer te heroveren » (blz. 28).
Het boek is tegelijk een autobiografie, een werk van wetenschappelijke verspreiding en een politiek-filosofisch essay. Het beschrijft de reizen van de auteur van Bretagne naar Antarctica, waar hij voor het eerst de volle omvang van de schade aan het milieu van de aarde zag. Zelfs als de informatie in lekentaal wordt gepresenteerd, is het niet altijd gemakkelijk om veel wetenschappelijke informatie te assimileren. De bioloog-auteur overbrugt de kloof met de sociologie, met name wanneer hij de voor- en nadelen van de modi van ecosystemische relatie – symbiose, concurrentie, commensalisme, coëxistentie, parasitisme – vergelijkt door ze naar de economische sfeer over te brengen. Uiteraard gaat zijn voorkeur uit naar symbiose, die nu bestudeerd wordt door een nieuwe discipline, de symbiologie. Het« toont elk jaar meer en meer aan dat de belangrijkste vernieuwingen in de evolutie van levende organismen het resultaat zijn van symbiose » (p. 253). Dit is een les uit de wetenschap waarmee wij rekening moeten houden in menselijke organisaties, die doordrenkt zijn van het tegenovergestelde evangelie van concurrentie.
Betekent biomimicry een echte doorbraak? Met duurzame ontwikkeling en het dogma van groei, zeker, zegt de auteur. En ook meer globaal met de thermo-industriële samenleving. Biomimicry is echter« geen doel op zich, maar een middel om verenigbaar te zijn met de biosfeer » (blz. 108). Het gaat immers om concrete « oplossingen », soms gericht op prestaties (waaronder energieprestaties), maar vooral op duurzaamheid. Biomimicry wordt op drie niveaus gepresenteerd: het eerste is gebaseerd op vormen die zijn geïnspireerd op levende organismen, bijvoorbeeld de boeg van een hogesnelheidstrein die de snavel van een ijsvogel oproept, om de aerodynamica te bevorderen; het tweede is gebaseerd op materialen en natuurlijke chemische reacties – groene chemie -, die een grotere impact heeft dan het eerste; ten slotte is het derde gebaseerd op de ecosystemische relaties zelf, met als doel de productie te integreren in biosferische cycli. Met verbazing en scepsis ontdekken wij dat het mogelijk zou zijn organische elektronica en fotovoltaïsche energie te verkrijgen waarbij koolstof silicium zou vervangen (!). De gedachten over de landbouw zijn veelbelovender, met de doelstelling van een« post-koolstof biomimetische landbouw« . De auteur gebruikt het voorbeeld van de boerderij Bec Hellouin in Normandië (genoemd in de film Demain), die hij nauwkeurig heeft bestudeerd (epiloog, blz. 293-315). De vorming van een netwerk van honderden van dergelijke microboerderijen zou een antwoord zijn op zowel de werkloosheid als de woestijnvorming op het platteland.
Op ecosystemen gebaseerde biomimicry biedt ook een integrale lezing van de huidige situatie. G. Chapelle is helder genoeg om het te koppelen aan de verschillende aspecten van de komende ineenstorting: de verstoring van het klimaat, de afname van de biodiversiteit en de pieken in metalen en olie, aangezien« biomimicry per definitie de kunst van het leven zonder fossiele brandstoffen omvat » (p. 129). Hij vervolgt: « Zoals elk ecosysteem zijn beschavingen complexe adaptieve systemen, net zoals een bacteriekolonie, een mierenboerderij, een bos, een koraalrif, een bedrijf of een stad! Wat deze systemen gemeen hebben, is dat zij inherent dynamisch zijn en zich voortdurend ontwikkelen via een adaptieve cyclus. Zo zal de groeifase van een bos beginnen met de vestiging van pioniersoorten, die zich op hun beurt voorbereiden op de komst van andere soorten, hetgeen geleidelijk leidt tot de fase van instandhouding en het zogenaamde volgroeide bos. Als zich een grote verstoring voordoet – een insectenplaag of een brand – zal het bos geheel of gedeeltelijk een creatieve vernietiging ondergaan, waarbij materie en energie vrijkomen, alvorens zich voor te bereiden op reorganisatie. Maar deze ontwikkeling zal niet noodzakelijk leiden tot de terugkeer van het bos, als bepaalde drempels zijn overschreden. Wanneer we deze denkwijze toepassen op de thermo-industriële beschaving, geloven veel onderzoekers dat we nu op de rand staan van een ineenstorting – het einde van de conserveringsfase – en dat achter de ineenstorting van deze aan fossiele brandstoffen verslaafde beschaving, de reorganisatie zal leiden tot een « post-olie » beschaving die de voorkeur geeft aan low tech, terwijl we samenwerken met andere soorten en het aan hen overlaten om de high tech chemie strategieën te beheren die verenigbaar zijn met het Leven dat zij al zo lang beheersen, zonder fossiele brandstoffen… » [note] . In zijn conclusie roept hij op tot een herverbinding met de aarde en haar miljoenen soorten, die symmetrisch zou moeten zijn, zou ik willen toevoegen, met de grootst mogelijke loskoppeling van het technische macro-systeem!
De gedragscode van de politie schrijft voor dat agenten « erop toezien dat de politie niet betrokken is bij criminele activiteiten ».de eerbiediging van de rechten en vrijheden van het individu, alsmede de waardigheid van eenieder te eerbiedigen en te waarborgen, met name door juridische dwang op weloverwogen wijze toe te passen en te beperken tot hetgeen strikt noodzakelijk is« .democratische ontwikkeling van de samenleving« .
Voor iedere waarnemer van de politieke, sociale en gerechtelijke actualiteit lijkt het duidelijk dat de naleving van deze uitspraken op zijn zachtst gezegd aan een zekere incartescentie onderhevig is bij bepaalde politieambtenaren in het Koninkrijk België.
In dit dossier zullen wij een reeks vaststellingen doen over het politiegeweld, dat welig tiert in de sociale bewegingen en tegenover migranten, maar dat ook dagelijks voor iedereen aanwezig is, uit het zicht en achter de muren van de politiebureaus. Wij zullen ook initiatieven en instrumenten presenteren om deze situatie tegen te gaan.
Het Observatorium voor politiegeweld (ObsPol), dat is opgericht door de Ligue des droits de l’Homme, vierde onlangs zijn eerste verjaardag, een gelegenheid voor Kairos om het in zijn bladzijden te verwelkomen. In een eerste tekst, getiteld« Dissent undermined » (blz. 10-11), vertellen leden van ObsPol over enkele van de recente repressieve gebeurtenissen die een belangrijke rol hebben gespeeld bij de noodzaak om het Waarnemingscentrum op te richten. Wij zullen kunnen zien hoe in onze hedendaagse sociale geschiedenis de democratische grondrechten van vergadering en demonstratie grotendeels worden betwist.
Terwijl de laatste hand aan dit verslag werd gelegd, werden de bevindingen in dit document verder bevestigd. Op 15 mei leidde een door de D19-20 Alliantie georganiseerde demonstratie tegen de Transatlantische Partnerschapsovereenkomst (TPA) tot 250 arrestaties. Vakbondsleden, gemeenschapsactivisten en parlementsleden werden gearresteerd enkel en alleen omdat zij waren gekomen en hadden geprobeerd uit te spreken dat zij het niet eens waren met dit verdrag en de Europese zakentop die het in het Egmontpaleis aan het bespreken was. Zwermen politieagenten, in uniform en in burgerkleding, tientallen politiepakken, brandweerauto’s, enz… Dit alles zonder enige reden! Wat zijn de kosten van dit soort intimidatieoperaties tegen de demonstranten van de Europese economische orde?
In het volgende artikel« De burgermaatschappij organiseert zich » (blz. 12-13) geven zij een overzicht van de – soms rotsachtige – omstandigheden waaronder het Waarnemingscentrum van start is gegaan, en van het totale gebrek aan controle dat de politie geniet. Hoewel er enkele organen bestaan, zoals het bekende Comité P, zijn deze meestal ondoeltreffend en beperken zij zich tot het registreren van klachten en het produceren van onvolledige, soms zelfs dubieuze statistieken.ObsPol presenteert ook een eerste evaluatie, na iets meer dan een jaar van bestaan.
Om de observatie van de toestand van het politiegeweld in België voort te zetten, presenteren wij vervolgens het artikel« Staatsgeweld tegen migranten: de stem van de onzichtbaren » (blz. 14-15), waarvoor wij leden van « Getting the voice out » hebben ontmoet. Door contacten te leggen met de gedetineerden in de centra voor vreemdelingen, verspreidt deze groep haar boodschap naar de buitenwereld en stelt zij de realiteit voor die zich afspeelt op deze plaatsen en bij hun « uitgang »: op de luchthavens en in de vliegtuigen bij de uitwijzingen van het Belgisch grondgebied. Hun website weerspiegelt deze realiteiten, die door de Belgische autoriteiten in het duister worden gehouden.
Aan de hand van deze verschillende artikelen kunnen we zien dat politiegeweld vaak verband houdt met migratiekwesties, en meedogenloos gericht is tegen buitenlanders en mensen in België die het Europese beleid tegen migranten in vraag willen stellen. We staan echt voor de zwarte piet van onze politieke systemen, zowel de Belgische als de Europese.
Vervolgens stellen wij een ontmoeting voor met Mathieu Beys, advocaat en lid van ObsPol, die zijn boek voorstelt, een « juridisch en praktisch handboek » voor iedereen:« Welke rechten in de omgang met de politie?(blz. 16-17). Dit boek, dat in maart van dit jaar is verschenen, is in vele opzichten onmisbaar, niet in de laatste plaats omdat het juridische kwesties voor iedereen toegankelijk maakt, in duidelijke taal, zoals dat altijd het geval zou moeten zijn voor zaken die pretenderen ons leven in de samenleving te regelen. De auteur van het handboek sluit dit dossier af met een quiz (blz. 18) « Kent u de bevoegdheden van de politie en uw rechten in geval van interventie?
Aan het eind van het dossier zullen drie Kairos-lezers via een wedstrijd een exemplaar winnen van het boek « Welke rechten heeft de politie? De artikelen gaan vergezeld van korte fragmenten van getuigenissen, die integraal beschikbaar zijn, onder meer op de websites van het Obervatoire des violences policières: www.obspol.be en Krijg de stem eruit: www.gettingthevoiceout.org/
Het scala aan maatregelen voor de verwerking van persoonsgegevens op grote schaal is talrijk en groeit nog steeds. Zo ging de regering er onlangs prat op nieuwe maatregelen te hebben genomen ter bestrijding van het terrorisme, waaronder het Passenger Name Record(PNR), waarbij een gegevensbank wordt aangelegd op basis van door vervoersmaatschappijen verstrekte informatie. Anderzijds moeten bedrijven op grond van de gegevensbewaring metagegevens van alle gebruikers van communicatienetwerken verzamelen en opslaan. Terwijl het arsenaal groeit, doen de autoriteiten vaak een beroep op particuliere actoren om bepaalde informatie te verkrijgen. In het tijdperk van Big Data is de hoeveelheid gegevens die door commerciële bedrijven wordt verwerkt exponentieel, vooral omdat het om een aanzienlijk financieel belang gaat. Massasurveillance is dus niet alleen een kwestie van « nieuwe maatregelen » om opsporingsambtenaren meer informatie te verschaffen, maar surveillance op basis van samenwerking tussen overheidsinstanties en particuliere actoren is net zo indringend.
EEN NAALD DIE STEEDS VERLOREN GAAT IN DE HOOIBERG
De controverse over grootschalige gegevensverwerking staat in de schijnwerpers van de media sinds de onthullingen van klokkenluider Edward Snowden in juni 2013, toen hij de programma’s van de National Security Agency (NSA) onthulde waarmee de VS wereldwijd de inhoud van onze communicatie onderschept. Deze gegevens, die in het geheim worden verzameld, kunnen worden doorgegeven aan buitenlandse inlichtingendiensten. In België bijvoorbeeld kunnen inlichtingendiensten gebruik maken van door de NSA verzamelde informatie zonder dat zij hoeven te onderzoeken of de gegevens legaal zijn verzameld[note].
Op Europees niveau werd het debat over grootschalige gegevensverwerking aangewakkerd door de tenuitvoerlegging van een Europese richtlijn inzake de bewaring van gegevens. Deze maatregel verplicht de telecommunicatie-exploitanten ertoe alle metagegevens te verzamelen en op te slaan: IP-adres, gebruikte pseudoniemen, lijsten van contactpersonen, data en tijdstippen van verzending en ontvangst van e-mails, geraadpleegde websites, data en tijdstippen van verbinding, enz. Metagegevens, waarbij geen rekening wordt gehouden met de inhoud van communicatie of e-mails, moeten gedurende een bepaalde periode worden opgeslagen om (op verzoek) toegankelijk te zijn voor rechtshandhavingsinstanties. Het bewaren en opslaan van gegevens geschiedt derhalve a priori, systematisch en zonder onderscheid, onafhankelijk van het instellen van een strafrechtelijk onderzoek; voor de toegang tot de door de wetshandhavingsautoriteiten verzamelde gegevens daarentegen is het bestaan van een dergelijk onderzoek vereist.
De richtlijn gegevensbewaring is, na omzetting in Belgisch recht, rechtstreeks voor het Grondwettelijk Hof gebracht. Critici voerden aan dat een dergelijke maatregel onevenredig was gezien de ernst van de inbreuk op de privacy. Zij wezen ook op het risico van stigmatisering van vermoedelijk onschuldige maar potentieel verdachte personen, aangezien de gegevens van alle gebruikers werden verzameld zonder enig verband met het instellen van een strafrechtelijk onderzoek. Op 8 april 2014 op Europees niveau – en op 2 juni 2015 op Belgisch niveau – hebben het Hof van Justitie van de Europese Unie en het Grondwettelijk Hof de betrokken bepalingen ongeldig verklaard en nietig verklaard. De rechters wijzen erop dat de maatregel onvoldoende garanties biedt met betrekking tot de reikwijdte van de verzamelde gegevens. Het Grondwettelijk Hof, dat de woorden van het Hof van Justitie herhaalt, merkt voorts op: » Het feit dat de gegevens worden opgeslagen en vervolgens worden gebruikt zonder dat de abonnee of geregistreerde gebruiker daarvan op de hoogte is, kan bij de betrokkenen […] de gemoederen bezighouden. het gevoel dat hun privé-leven onder constante bewaking staat « .[note] Het bewaren van gegevens, zelfs als het geen betrekking heeft op de inhoud van onze communicatie, is immers nog steeds zeer indringend in zoverre de metadata » in hun geheelgenomen, zeer specifieke conclusies kunnen worden getrokken over het privé-leven van de personen wier gegevens zijn bewaard « .[note]. Zowel de Europese als de Belgische rechter hebben dus een (eerste) rem gezet op de massale en ongedifferentieerde opslag van metadata. Op grond van hun beslissingen moet de wetgever de bepalingen herzien om de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer te beperken tot het strikt noodzakelijke, bijvoorbeeld door te voorzien in een kortere bewaringstermijn voor de gegevens. De eerste belemmering is dat België op het moment van schrijven bezig is een nieuwe wet aan te nemen. Het onderwerp is dus nog lang niet af, temeer daar de naar aanleiding van de aanslagen in Londen en Madrid in 2005 op Europees niveau aangenomen bepaling niet voldoende concreet is bestudeerd om aan te tonen dat zij doeltreffend is in de strijd tegen zware criminaliteit en terrorisme.
Tenslotte, op een meer discrete wijze, bereidt de regering de oprichting voor van een Passenger Name Record, d.w.z. een systeem voor de verwerking van passagiersgegevens. Het NRP van Belgische makelij wil een gegevensbank opbouwen uit informatie die wordt verstrekt door gebruikers van internationale luchtvaartmaatschappijen, treinen en schepen. Dit nationale bestand, dat onder toezicht staat van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken, heeft als bijzonderheid dat het wordt onderworpen aan een speciaal algoritme dat bepaalde gegevens met elkaar vergelijkt om specifieke profielen op te stellen met het oog op het opsporen van mogelijke terroristen, maar ook met het oog op de bestrijding van illegale immigratie. Evenals de bewaring van gegevens, wordt deze gegevensbank a priori geconsolideerd, los van het instellen van een strafrechtelijk onderzoek, maar gaat het ook om gegevensverwerking met het oog op profilering. Deze maatregel, die met name wordt bekritiseerd vanwege zijn « preventieve » karakter, laat ook de vraag onbeantwoord of het PNR zijn doel wel bereikt. Zo worden bewegingen van motorvoertuigen, zoals bij de aanslagen in Parijs, niet gedetecteerd en kunnen bommen nog steeds bij de ingangen van luchthavens tot ontploffing worden gebracht, zoals bijvoorbeeld bij de aanslagen in Brussel het geval was. Bovendien is, te midden van de strijd tegen de sociale fraude en zelfs de strijd tegen de sociaal verzekerden, het risico van verduistering van het oorspronkelijke doel van deze informatie verleidelijk.
De grootschalige gegevensverwerkingstechnieken die door de autoriteiten zijn ingevoerd, worden daarom voornamelijk bekritiseerd vanwege hun gebrek aan evenredigheid, aangezien « massatoezicht heeft potentieel ernstige gevolgen voor de persvrijheid, de vrijheid van gedachte en meningsuiting en de vrijheid van vergadering en vereniging, en houdt een groot risico in van misbruik van de verzamelde informatie tegen politieke tegenstanders[note]. Om in overeenstemming te zijn met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens, moet de inmenging echter noodzakelijk en evenredig zijn. Alvorens een bepaling vast te stellen, dient de wetgever zich ervan te vergewissen dat er geen andere maatregelen zijn die minder beperkend zijn of waarmee het beoogde doel reeds wordt bereikt. In dit geval kan, afgezien van het ontbreken van een duidelijk en bewezen bewijs van de doeltreffendheid van massale en ongedifferentieerde opslag van gegevens voor terrorismebestrijdingsdoeleinden, ook de noodzaak om dergelijke systemen in te voeren in twijfel worden getrokken.
EEN VERSCHUIVING VAN HET TOEZICHT NAAR PARTICULIERE ACTOREN
Particuliere actoren worden beschouwd als bevoorrechte actoren in strafrechtelijke onderzoeken, aangezien zij, door gegevens te verwerken voor marketing- en factureringsdoeleinden, automatisch toegang krijgen tot een reeks persoonsgegevens. Zodra deze gegevens zijn verzameld, kunnen zij gedurende een bepaalde periode worden opgeslagen om aan bepaalde algoritmen te worden onderworpen. Op het internet bijvoorbeeld verwerken veel gratis diensten zoals Skype, Facebook, Google, Twitter, Youtube, Amazon, enz. « en masse » onze digitale gegevens om consumentenprofielen op te stellen. De gegevensstroom tussen particuliere actoren en rechtshandhavingsinstanties is frequent. In België geldt voor particuliere actoren immers uitdrukkelijk een verplichting tot samenwerking met de gerechtelijke autoriteiten; zij verlenen dan ook regelmatig hun medewerking aan strafrechtelijke onderzoeken. Een openbare aanklager kan bepaalde communicatiegegevens opvragen bij internetproviders zoals VOO, Proximus, Telenet, namelijk de identiteit van de abonnee van een telefoonlijn, een e-mailadres, een internetaansluiting, een IP-adres, enz. Een onderzoeksrechter zou deze gegevens kunnen vergelijken om bijvoorbeeld een persoon te geolokaliseren, zijn of haar bewegingen te identificeren, zijn of haar communicatie te onderscheppen of zijn of haar e-mails te onderscheppen. In sommige gevallen kunnen zij ook personen van wie wordt aangenomen dat zij over bijzondere kennis van een computersysteem beschikken, dwingen mee te werken door de toegang tot de gegevens te blokkeren of door de encryptiesleutel te verstrekken indien de gegevens geëncrypteerd zijn. De benaderde persoon heeft de mogelijkheid zich te verschuilen achter het zwijgrecht, mits hij rechtstreeks bij het onderzoek betrokken is. Ten slotte zijn bepaalde tussenpersonen, en met name de hosts van websites, verplicht aan de officier van justitie alle onwettige activiteiten of informatie te melden waarvan zij kennis hebben. Ook moeten zij op verzoek of op eigen initiatief sites blokkeren die bijvoorbeeld « aanzetten tot haat » of« terrorisme verheerlijken« .
Hoewel de meeste bedrijven « meespelen », weigeren sommige soms mee te werken. Yahoo! heeft bijvoorbeeld al een verzoek van een openbare aanklager om bepaalde gegevens vrij te geven, aangevochten. Het Openbaar Ministerie wilde de identiteit vaststellen van verschillende gebruikers van e-mailadressen die in een fraudezaak waren gebruikt. Yahoo! wilde echter niet aan het verzoek voldoen. De onderneming rechtvaardigde haar weigering met een beroep op het ontbreken van gezag van het Belgische recht over een Amerikaanse onderneming die aan het Amerikaanse recht is onderworpen. Bovendien betwistte zij dat zij verplicht was mee te werken, aangezien het verzoek afkomstig was van een openbare aanklager en niet van een onderzoeksrechter. De onderzoeksrechter kan immers alle of bijna alle particuliere actoren bij het onderzoek betrekken, terwijl het openbaar ministerie zich in beginsel moet beperken tot internetproviders, zoals VOO of Proximus. Het Hof van Cassatie heeft de controverse definitief beslecht. In de eerste plaats is zij van mening dat de wet van toepassing is op elke onderneming « die in België e-mails verstrekt, deelneemt aan het economische leven (van het land) ». In de tweede plaats is volgens het Hof de verplichting om bepaalde gegevens te verstrekken en mee te werken aan het verzoek van de officier van justitie niet beperkt tot internetproviders zoals Yahoo! aanvoert, maar strekt zij zich uit tot elke actor die elektronische-communicatiediensten aanbiedt. Dit is een belangrijke nuancering, aangezien de officier van justitie dankzij deze uitlegging gegevens kan verkrijgen van de meeste diensten die op het internet beschikbaar zijn, zoals Skype of Facebook, zonder dat hij een beroep hoeft te doen op de onderzoeksrechter. De opening van een onderzoek wordt echter geacht de beschuldigde bepaalde garanties te bieden tegen het risico van ongeoorloofde en willekeurige toegang tot gegevens.
In dezelfde geest heeft Apple onlangs geweigerd gehoor te geven aan een bevel van de FBI om de mobiele telefoon van een van de San Bernardino-schutters te ontsleutelen. Naast het ontgrendelen van de telefoon, wilde de FBI dat Apple een nieuwe versie van het besturingssysteem zou ontwikkelen. Deze technische bijstand zou de Amerikaanse rechtshandhavingsinstanties in staat hebben gesteld de ontgrendeling van elke smartphone te vergemakkelijken. Volgens Apple ondermijnt dergelijke software, die de toegang tot telefoons vergemakkelijkt, echter de veiligheid en vertrouwelijkheid van de opgeslagen gegevens. Uiteindelijk vindt de FBI een maas in de wet die hen toegang geeft tot de gegevens op de telefoon. In dit geval gaan de Amerikaanse opsporingsdiensten verder dan de hierboven beschreven « eenvoudige » verplichting tot samenwerking. De onderzoekers wilden een particuliere speler dwingen deuren te ontwerpen die de toegang tot de gegevens in het systeem zouden vergemakkelijken. In België bestaat een dergelijke verplichting niet, maar zij zou kunnen worden overwogen. Momenteel staat de wet inlichtingendiensten echter toe in te breken in een computersysteem « met of zonder gebruikmaking van technische middelen, valse signalen, valse sleutels of valse hoedanigheden « . Deze zijn dus in staat een computer te infiltreren door er bijvoorbeeld een computervirus in te stoppen, en de gewenste informatie te verzamelen. Deze kunnen zo nodig aan de politie worden overgedragen.
Als er om redenen van evenredigheid veel wordt gesproken over de grootschalige verwerking van gegevens door middel van maatregelen zoals de verplichting om gegevens te bewaren of de PNR-overeenkomst, moet dan ook worden opgemerkt dat, afgezien van het gebrek aan bewezen doeltreffendheid In concreto zou ook de « noodzaak » van dergelijke apparaten uitvoerig kunnen worden besproken. Reizigersgegevens die bijvoorbeeld door reisbureaus worden verzameld, zijn reeds toegankelijk op verzoek van het openbaar ministerie. Evenzo heeft het Openbaar Ministerie toegang tot communicatiegegevens die door exploitanten reeds voor commerciële doeleinden worden bewaard, ongeacht of er een bewaarplicht bestaat. Om nog maar te zwijgen van de kosten van dergelijke maatregelen, moet het debat over massatoezicht dan ook worden verruimd. De grens tussen commercieel « massatoezicht » en « massatoezicht » in de beveiligingssector is namelijk verre van waterdicht. Daarom blijft wijdverspreide encryptie de meest doeltreffende reactie om onze privacy te beschermen.
In minder dan twee jaar tijd heeft Frankrijk een inflatie van antiterrorismewetten gekend: de wet op de militaire programmering van 2013, de wet tot versterking van de bepalingen inzake terrorismebestrijding van 2014 en de inlichtingenwet van juni 2015. Deze reeks teksten, gepropageerd door de socialistische regering, heeft geleid tot een aanzienlijke achteruitgang van de rechtsstaat. De wet van 20 november 2015 verlengt de twaalf dagen durende noodtoestand, die de dag na de aanslagen van 13 november in Parijs was afgekondigd, met drie maanden. Het is opnieuw verlengd en verstrijkt op 26 mei[note]. De noodtoestand veralgemeent uitzonderlijke strafrechtelijke procedures die de openbare en particuliere vrijheden ernstig beknotten.
Manuel Valls ontkende het vrijheidsberovende karakter van de wet en zei dat« de noodtoestand de rechtsstaat is ». Het is paradoxaal zich op de rechtsstaat te beroepen om een verlenging met drie maanden te rechtvaardigen van een procedure die geen ander doel heeft dan het beginsel van de scheiding der machten te doorbreken, de rechterlijke macht te liquideren en alle prerogatieven in handen te leggen van de uitvoerende macht en haar politie. Sinds het begin van de noodtoestand zijn de meeste administratieve huiszoekingen verricht voor rechtshandhavingsdoeleinden, bijvoorbeeld bij milieuactivisten, of in het kader van het gemene recht, zonder enig verband met de strijd tegen het terrorisme .
NOODTOESTAND
De noodtoestand is reeds opgenomen in de wet van 1955, een stuk wetgeving dat de Franse regering in staat stelde om tijdens de Algerijnse oorlog de staat van beleg niet uit te roepen en verzetsstrijders dus niet als strijders te beschouwen om ze als misdadigers te behandelen. In vergelijking met deze wet zijn de voorwaarden voor huisarrest, waartoe zonder tussenkomst van een rechter wordt besloten, verscherpt. De wet van 1955 was van toepassing op eenieder« wiens activiteit gevaarlijk blijkt te zijn« ; thans geldt zij voor eenieder « ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat zijn of haar gedrag een bedreiging vormt ». De formulering is veel ruimer en onduidelijk, aangezien « ernstige redenen » niet worden gespecificeerd. Door van « activiteit » over te stappen op « gedrag » en « vermoeden », laat de nieuwe wet de materialiteit van de feiten los en gaat zij in de richting van een opzettelijk misdrijf.
Huisarrest wordt toegepast op een plaats die niet noodzakelijk het huis is. De verdachte kan daar worden gebracht manu militari. De wet zet dus de deur open voor de vorming van kampen na de preventieve administratieve internering van personen die op de S-lijst staan, ongeveer 10.000 personen die nooit zijn veroordeeld.
Nachtelijke huiszoekingen, zonder rechterlijke toestemming, kunnen plaatsvinden indien er sprake is van « er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de plaats wordt bezocht door een persoon wiens gedrag een bedreiging vormt. « Zij tasten de onschendbaarheid van de woning aan en kunnen worden uitgevoerd om vage en niet-materiële redenen.
Computers en telefoons kunnen worden doorzocht en gegevens gekopieerd. De administratieve huiszoeking beperkt zich niet tot het kopiëren van de voorwerpen die op de apparaten zijn aangetroffen, maar maakt ook de inbeslagneming van alle voorwerpen en documenten mogelijk.toegankelijk vanuit het oorspronkelijke systeem of beschikbaar voor het oorspronkelijke systeem. De zoektocht maakt dus deel uit van een algemeen systeem van bevolkingsbeheersing.
De mogelijkheid om tijdens de noodtoestand om« veiligheidsredenen » elke bijeenkomst op de openbare weg te verhinderen, heeft het reeds mogelijk gemaakt de grote demonstratie die op 29 november in Parijs zou worden gehouden, aan de vooravond van de opening van de klimaatconferentie van de Verenigde Naties (COP21), af te gelasten.
NOODPROCEDURE ZONDER NOODTOESTAND
Op 9 maart heeft de nationale assemblee in het kader van een versnelde procedure het nieuwe wetsontwerp tot hervorming van het strafrecht« versterking van de strijd tegen terrorisme en georganiseerde misdaad » aangenomen. De tekst brengt bepalingen die geacht worden deel uit te maken van een uitzonderlijke wet, zonder dat de noodtoestand is afgekondigd, onder in het gemeen recht. Het geeft ook een rechterlijke uitweg voor de « surveillance « -procedures die door de Inlichtingenwet zijn gelegaliseerd.
Het wetsontwerp versterkt in aanzienlijke mate de prerogatieven van de openbare aanklager, een magistraat die in hoge mate afhankelijk is van de uitvoerende macht. De openbare aanklager voerteen « vooronderzoek » uit, waarbij hij of zij de bevoegdheid heeft de verdachte voor de rechter te brengen. Dan brengt hij de aanklacht in een proces dat hij begon. Hij zal ook tot taak hebben na te gaan of de « door de gerechtelijke politie verrichte onderzoeken zowel belastend als ontlastend zijn ».
Wat de gerechtelijke politie betreft, blijft de controle van de magistraat evenwel louter formeel. In Frankrijk is het Openbaar Ministerie bijzonder overbelast. De weinige officieren van justitie behandelen de overgrote meerderheid van de rechtszaken. De nieuwe prerogatieven die hem door dit wetsontwerp worden toegekend, zullen de werklast alleen maar doen toenemen en het onmogelijk maken toezicht te houden op het politiewerk. Deze laatste is in feite de grote winnaar van de hervormingen.
UIT DE HAND GELOPEN POLITIE
De uitvoerende macht kan het werk van de politie niet controleren via de openbare aanklager. De rechterlijke macht is hiertoe volstrekt niet in staat via de andere figuur die in het wetsontwerp naar voren wordt geschoven, namelijk die van de rechter van vrijheid en detentie, op wie de meeste machtigingen tot uitvoering van de bepalingen van de wet zijn gebaseerd. Zijn controle kan slechts formeel zijn, aangezien deze rechter geen toegang heeft tot de grond van de zaak.
Zo zullen in zaken van terrorisme en met voorafgaande machtiging van deze magistraat nachtelijke huiszoekingen in woningen worden toegestaan vanaf het stadium van het vooronderzoek. Van nu af aan kunnen zij preventief worden uitgevoerd, op basis van de mogelijkheid van gevaar.
Het gebruik van IMSI-catchers, deze nep-relaisantennes die telefoons en computers bespioneren zonder dat de gebruikers daarvan op de hoogte zijn, zal worden toegestaan door de rechter van vrijheid en hechtenis of« in spoedgevallen » door de officier van justitie, in de wetenschap dat het de politie zelf is die bepaalt wat spoed is. Tot videobewaking, beeldopneming en geluidsopname van een woning kan voortaan worden besloten tijdens het vooronderzoek, na een eenvoudige machtiging van deze magistraat.
Net als in de noodtoestand wordt het optreden van de prefect versterkt. Voortaan kan het« repatrianten uit Syrië » gedurende een maand onder huisarrest plaatsen, hun de codes van hun telefoons en computers vragen, hen verplichten hun bewegingen te melden en hen verbieden met bepaalde personen te spreken. Deze bepaling heeft de attributen van een gerechtelijke procedure, maar het is een administratieve handeling, een toetsing zonder rechter die ruimte laat voor willekeur. Het geeft de verdachte geen kans om de aanklacht te weerleggen. Het is de toegeschreven intentie die wordt aangevallen, zonder dat de persoon in staat is zichzelf te verdedigen.
Jean-Claude Paye socioloog, auteur van L’Emprise de l’image, de Guantanamo à Tarnac, Yves Michel 2012